Een dood die weinig mensen zagen aankomen. Op 8 januari 2016 – zijn 69ste verjaardag – verrast David Bowie de wereld met de plaat Blackstar. Twee dagen later is hij er niet meer en valt het kwartje: het Britse popicoon regisseerde zijn eigen requiem, vol verwijzingen naar zijn naderende dood.
Maar de anderhalf uur durende documentaire Bowie: the Final Act gaat vooral over de bijna vijftig jaar die hieraan voorafgaan. Het debuut in 1967, de doorbraak met Space Oddity, de geboorte van zijn androgyne alter ego Ziggy Stardust. Pas in de jaren tachtig wordt Bowie een mainstreamsuperster met hits als ‘Let’s dance’ en ‘Tonight’ (met Tina Turner). Maar waar het massapubliek en de platenlabels liever nog een ‘Let’s dance’ horen, wil Bowie geen gelikte stadionact zijn, maar een kunstenaar. Hij richt de weinig radiovriendelijke rockband Tin Machine op, die niet best ontvangen wordt, Bowie is echter gelukkig in de groep. Het typeert de Brit, die liefst zijn eigen gang gaat. Met extreem wisselend succes, dat wel, zo toont de documentaire, die zwabbert door de tijd; van commerciële en creatieve hoogtepunten tot (bijna) vergetelheid en van optreden op het eerste Glastonburyfestival tot de tweede keer in 2000, als hij een glorieuze comeback maakt.