In Quo vadis, Aida? richt de Bosnische filmmaker Jasmila Žbanić zich op de meest traumatische gebeurtenis uit de Bosnische Burgeroorlog: de val van Srebrenica. 'Er zijn geen helden in mijn kijk op de wereld.'

cadeautje

Je leest dit artikel uit de VPRO Gids gratis op VPRO Cinema. Wil je meer lezen over oa documentaires, podcasts en boeken? Neem dan een digitaal abonnement.

Filmmaker Jasmila Žbanić (1974) is zeventien wanneer op 6 april 1992 de Bosnische Burgeroorlog uitbreekt. Ze woont dan in Sarajevo, hoofdstad van de zojuist van Joegoslavië afgescheiden republiek Bosnië en Herzegovina. Het Joegoslavische Volksleger heeft zich in de bergen rond Sarajevo verschanst en neemt de stad pal na de onafhankelijkheidsverklaring onder vuur. Een belegering die uiteindelijk jaren zal duren en pas op 29 februari 1996 beëindigd wordt. Er zijn dan meer dan 12.000 mensen omgekomen.

Al die tijd zit Žbanić vast in Sarajevo. Zonder elektriciteit, stromend water of medische zorg. Maar wel met iedere dag mortiervuur en de dreiging van sluipschutters. Geen wonder dat de Bosnische Burgeroorlog een belangrijke rol zal spelen in al haar latere werk.

Žbanić maakt al meer dan twintig jaar films, maar durfde zich aanvankelijk niet te wagen aan de meest traumatische gebeurtenis uit de Bosnische Burgeroorlog, de val van Srebrenica.

‘Hoop moet ons helpen overleven, maar maakt ons ook dom’

JASMILA ŽBANIĆ

De VN had Srebrenica aangewezen als veilige enclave, maar de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladić lapte die resolutie aan zijn laars. Hij nam de stad begin juli 1995 in en zou uiteindelijk meer dan 8000 Bosnische moslimmannen en -jongens vermoorden.

Srebrenica werd ook een Nederlands trauma, want het was een Nederlands VN-bataljon onder leiding van luitenant-kolonel Thom Karremans, Dutchbat III, dat de massaal toegestroomde vluchtelingen op de VN-compound in Potocari (vlak bij Srebrenica) niet kon of wilde beschermen.

Met Quo vadis, Aida? – waarin we door de ogen van de (fictieve) tolk Aida zien hoe dat drama zich ontwikkelt – kwam Žbanić’ film over Srebrenica er uiteindelijk toch.

‘Weet je, ik heb altijd geweten dat wat er in Srebrenica gebeurde heel filmisch was, maar psychologisch was me dat te veel. Daar was ik gewoon nog niet aan toe,’ zegt de regisseur eind mei via Zoom. ‘Beschrijven hoe iemands kinderen vermoord worden is zwaar, kan ik je verzekeren. Bovendien is zo’n grootschalige productie voor een arm land als Bosnië sowieso een probleem. Ik grapte tijdens de opnamen steeds dat we een Mercedes aan het maken waren met een vork en een lepel. Maar het belangrijkste was dat ik door alles wat ik voor Quo vadis, Aida? had gemaakt wist dat ik klappen kon incasseren. Serviërs, Bosniërs, de overlevers; iedereen heeft zijn eigen kijk op de Bosnische Burgeroorlog en je kan het als maker dus nooit goed doen. Na vier films was ik volwassen genoeg om me daar niets meer van aan te trekken. Ik accepteerde dat niet iedereen het met me eens zou zijn, maar was vastbesloten te laten zien wat daar volgens mij gebeurd is.’

Aida (Jasna Djuricic) en Dutchbat-commandant Thom Karremans (Johan Heldenbergh)

Dat is een gitzwart beeld. Aida vecht voor haar man en twee zoons, maar ze moet haar doelen steeds verder naar beneden bijstellen. U verzon Aida en had van haar ook een held kunnen maken. Waarom wilde u dat niet?
Žbanić: ‘Er zijn geen helden in mijn kijk op de wereld. Mensen zijn goed én slecht. Ik weet nog goed hoe ik toen zelf was. In het begin wilde ik iedereen in Bosnië redden. Maar toen de kanonnen voor Sarajevo stonden wilde ik vooral mijn eigen stad redden. En toen het Servische leger nog dichterbij kwam en delen van de stad binnenviel, dacht ik alleen nog maar aan mijn eigen gebouw. Zo moest Aida ook zijn. Aanvankelijk wil ze iedereen binnenlaten in het VN-kamp, maar later denkt ze alleen nog maar aan haar eigen gezin. Je menselijkheid verschrompelt in een oorlog. Je kan wel proberen de beste versie van jezelf te zijn, maar de oorlog maakt dat vaak onmogelijk. Daarom vind ik hoop ook zo’n idiote emotie. Hoop moet ons helpen overleven, maar maakt ons ook dom. Zelfs toen ik midden in de oorlog zat dacht ik nog steeds dat ie mij voorbij zou gaan.’

Hoe ziet u de rol van Dutchbat in het drama van Srebrenica?
‘Het allereerste wat ik daarover hoorde was dat de Nederlanders al die moorden gewoon hadden laten gebeuren. Toen ik tijdens de research voor Quo vadis, Aida? sprak met overlevers bevestigden die ook min of meer dat het de Nederlanders niet interesseerde wat er met de moslimmannen gebeurde. Pas toen ik naar Nederland kwam om met Dutchbatters te praten, ontdekte ik dat velen van hen nog jonger waren dan ik toen was: achttien, negentien jaar. Ze hadden geen idee waarin ze waren terechtgekomen. Eerlijk gezegd denk ik niet dat zij iets hadden kunnen doen. Karremans en majoor Franken wel, maar dit waren nog kinderen. En die hebben een hoge prijs betaald, want sommigen kregen PTSS en konden niet verder met hun leven.’

Was u verbaasd dat Srebrenica ook in Nederland een trauma is?
‘O zeker, maar al tijdens mijn eerste bezoeken aan Nederland ontdekte ik dat ik het over Srebrenica kon hebben met taxichauffeurs, receptionisten, et cetera. Iedereen had er wel over gehoord of wist er iets van. En de meesten waren eerlijk tegen me en zeiden: yeah, we fucked up.

Quo vadis, Aida? is vanaf 1 juli te zien in de bioscoop