VPRO Gids 42

16 oktober t/m 22 oktober
Pagina 16 - ‘Tussen de oren met Nicolaas en Tim’
papier
16

Cadeautje!

Je leest dit artikel gratis. Wil je meer van de VPRO Gids? Neem een abonnement. Nu 12 weken voor slechts 10 euro. Ik wil meer lezen →

Tussen de oren met Nicolaas en Tim

Cecile Elffers

Na het veelgeprezen '100 dagen voor de klas' zijn Tim den Besten en Nicolaas Veul terug met '100 dagen in je hoofd'. Ditmaal gaan ze aan de slag in psychiatrische kliniek De Grote Beek in Eindhoven. ‘Je kan wel zeggen: die mensen zijn gek en wij zijn normaal, maar zo werkt het niet.’

Nicolaas Veul en Tim den Besten

Poep van de muur vegen en lastige gesprekken voeren, maar ook veel gezelligheid en aangrijpende momenten: 100 dagen in je hoofd is zo mogelijk nog intenser dan 100 dagen voor de klas, waarin Tim den Besten (1987) en Nicolaas Veul (1984) een baan als leraar op een middelbare school uitprobeerden. In 100 dagen in je hoofd gaat het niet alleen over de psychische problemen van verschillende patiënten – of pardon: cliënten –, maar leren we ook de geestelijke kronkels van de tv-makers beter kennen. Nicolaas werkte als begeleider van mensen met schizofrenie en psychoses, Tim ging aan de slag met cliënten met een lichte verstandelijke beperking in combinatie met andere problematiek, zoals een verslaving of trauma.

‘Toen we ervoor kozen iets te maken over geestelijke gezondheid, wisten we meteen dat we zelf ook met de billen bloot moesten’

Nicolaas Veul
Waarom gaat jullie tweede 100 dagen-serie over de psychiatrie?

Nicolaas Veul: ‘We zochten een boeiende plek, maar het moest wel echt iets anders zijn dan 100 dagen voor de klas. Dus niet van: o, Nicolaas doet weer heel erg z’n best en Tim is weer een ongeleid projectiel.’

Tim den Besten: ‘Precies dat is uiteindelijk natuurlijk toch weer gebeurd, haha. We zijn toch wie we zijn... Maar over de keuze voor de psychiatrie: kijk, iedereen heeft op school gezeten, iedereen kent die plek. We vonden het belangrijk dat we deze keer ergens naartoe gingen waar minder begrip voor is. Iets waar een taboe op rust, maar waar wel veel mensen mee te maken hebben. De psychiatrie is zo’n plek.’

Jullie laten ook jullie eigen mentale issues zien. Hoe dat zo?

NV: ‘Toen we ervoor kozen iets te maken over geestelijke gezondheid wisten we meteen dat we dan zelf ook met de billen bloot moesten. Je kan wel zeggen: die mensen zijn gek en wij zijn normaal, maar zo werkt het niet. Iedereen heeft wel iets.’

‘Ik heb weleens zitten huilen in dat kantoortje, omdat ik dacht dat het hele project aan het mislukken was’

Tim den Besten

TdB: ‘Ja, er hoeft helemaal niet zo heel veel te gebeuren voor je in een kliniek terechtkomt. Zeker op mijn afdeling: dat kan gewoon je broer of zus of collega zijn die door wat tegenslagen even de weg kwijtraakt. Als we die kloof tussen “normaal” en “gek” willen slechten en begrip willen kweken, kunnen we er niet omheen om ook onszelf te laten zien.’

NV: ‘Dat deden we door wekelijks met Annemiek, manager van de kliniek en onze mentor, te praten over waar in het werk we onszelf tegenkwamen. Zij haalde ons flink door de mangel. Bij mij ging het er vaak over dat ik alles altijd meteen heel goed wil doen. En wat daarachter schuilt: verdriet om de vraag of ik er wel mag zijn.’

TdB: ‘En ik stootte mijn neus doordat ik veel te directe vragen stelde aan de cliënten. Ik heb ook weleens zitten huilen in dat kantoortje, omdat ik dacht dat het hele project aan het mislukken was. Ik moest leren om geduld te hebben, door in eerste instantie alleen maar over koetjes en kalfjes praten. Dan kwamen de echte gesprekken later vanzelf wel, als de cliënten zich veilig bij me voelden. Maar eerst moest ik er echt als een soort kamerplant bij gaan zitten.’

‘Er voor anderen kunnen zijn, dat vond ik heel lekker’

Nicolaas Veul
Vonden jullie het een leuke baan?

TdB: ‘Ik vond het begeleiden van de cliënten leuk en bijzonder om te doen en het gaf me ook wel voldoening, maar niet de voldoening die ik in mijn normale baan voel. Er zit voor mij te weinig afwisseling in dit werk. Het is ook veel te praktisch, ik ben gewoon niet zo praktisch. Ik zou ook geen kantoorbaan kunnen hebben; ik heb echt prikkels, avontuur en creativiteit nodig. Daarom vind ik mijn eigen werk ook zo fijn.’

NV: ‘Aan het eind wordt het steeds leuker, want dan raak je echt vertrouwd met de cliënten. Ik vond het ook gewoon heel lekker om er voor anderen te kunnen zijn. Het klinkt stom, maar ik ben wat meer aan het leren dat het leven niet alleen om mij hoeft te draaien.’

TdB: ‘Joh. Na veertig jaar!’

NV: ‘Haha, leven is leren hè! Wat ik bedoel: in de media gaat het natuurlijk vaak over jezelf en wat je moet leveren, over strategisch denken, over of je jezelf wel verkocht krijgt. Na een dag mediawerk blijf ik vaak ’s avonds nog lang malen. Het werk in de kliniek geeft juist een heel rustig, opgeruimd gevoel. Van: nou, ik had vandaag een mooie, dankbare taak en die heb ik naar eer en geweten uitgevoerd – punt, klaar. Ik heb trouwens ook weer, net als bij 100 dagen voor de klas, een uitnodiging gekregen om hier serieus aan de slag te gaan.’

TdB: ‘Strebertje!’

NV: ‘Haha, tja. Ik ben alweer bezig met een nieuwe documentaire, dus ik ga niet op dat aanbod in. Maar ik heb me wel heel erg verbonden met deze mensen en deze plek. Dat merkte ik toen ik terugging naar de kliniek om het filmmateriaal te laten zien: ik vond het zó leuk om de cliënten weer te zien, en dat was wederzijds.’

Hoe lastig was het om je in te leven in de bewoners? Neem Benno: een cliënt die denkt dat hij Jezus is…

NV: ‘Ja, Jezus is heel populair in de psychiatrie: de cliënten zijn hem zelf, of ze krijgen stemmen door van de Heilige Geest. Benno, die al 27 jaar in de kliniek woont, heeft dus een heel verhaal over dat hij de tweede Christus is. Zijn psychose noemt hij zijn belijdenis: dat is zijn straf voor het delict dat hij dertig jaar geleden heeft gepleegd. Zo’n totaal andere werkelijkheid waar iemand in leeft, daar wil ik dan zo veel mogelijk van proberen te begrijpen.

‘Ik dacht op mijn afdeling weleens: ik pas hier eigenlijk prima tussen’

Tim den Besten

TdB: ‘Op mijn afdeling kon het heel gezellig zijn, ik heb cliënten ontmoet met wie ik veel raakvlakken had. Dan dacht ik weleens: ik pas hier eigenlijk prima tussen! Tegelijkertijd kwam ik er juist achter wat een geluk ik heb dat ik daar níét zit. Kijk, ik ben een beetje een vreemde jongen; dat vind ik van mezelf en dat hoor ik ook van anderen. Maar doordat ik hier een paar maanden heb rondgelopen, besef ik dat het best meevalt – en hoe bevoorrecht ik ben. Ik liep altijd een beetje op mezelf en op mijn leven te zeiken, maar nu realiseer ik me: oké, mijn ouders zijn twee keer gescheiden en dat heeft nogal wat gevolgen gehad, maar verder heb ik álles mee. Op mijn afdeling zitten juist mensen die alles tegen hebben: bijvoorbeeld geen goed nest, al op jonge leeftijd drugsverslaafd en dan ook nog eens verstandelijk beperkt. Zo veel pech in één leven...’

NV: ‘Dat herken ik, dat je je realiseert hoeveel geluk je eigenlijk hebt. Ook ik heb vroeger wel dingen meegemaakt die een enorme impact hebben gehad en ik ben echt heel lang in therapie geweest, maar ik heb altijd kunnen functioneren in de maatschappij. Vroeger vond ik dat helemaal niet makkelijk, ik heb toen ook veel drugs gebruikt. Daar heb ik me uiteindelijk uit kunnen redden en nu gaat het goed. Maar dat is niet iedereen gegeven. Bijvoorbeeld omdat je nog meer shit hebt meegemaakt, of omdat je een genetische aanleg hebt voor psychoses. Soms kunnen kleine dingen je leven een compleet andere richting in duwen. Dat is heftig en verdrietig om te zien. Voor mijn cliënten is het heel moeilijk om echt contact te maken, om mensen dichtbij te laten komen. Terwijl dat toch een van de basisvoorwaarden is voor een gelukkig leven – nog even los van dat je het liefst drugs- en medicijnvrij zou zijn. Ja, het zijn wel pittige levens daar. En dat heeft me erg geraakt.’

Is dat ook wat jullie willen bereiken met de serie: empathie voor wie niet in de maatschappij kan meedraaien?

NV: ‘Ja, in die zin dat je in deze serie echt de mens achter het ziektebeeld leert kennen. Hoe werkt het in een schizofreen hoofd? Hoe leef je dan? Je leert zo iemand van zo veel kanten kennen, en daardoor wordt iets waar we liever van wegkijken heel menselijk. Ik hoop dat kijkers na deze serie minder snel iemand afschrijven, zo van: o, dat is een gek. Want zo simpel is het gewoon niet.’

TdB: ‘Ik merk nu al dat mijn blik is veranderd. In mijn buurt loopt bijvoorbeeld vaak een vrouw rond die de hele dag in zichzelf praat. Vroeger liep ik met een grote boog om haar heen, nu zeg ik eigenlijk altijd wel even “hoi”, of ik maak een praatje.’

NV: ‘Mensen zijn er in zo veel soorten en maten. En we vinden het eng om mensen met een psychische ziekte in de buurt te hebben. Volgens mij omdat ze een soort spiegel voor ons zijn: ze confronteren ons met onze eigen afwijkende kanten. Als we daar doorheen kunnen kijken, is dat heel veel winst. Ik denk dat je dan ook jezelf beter gaat accepteren in al je kleuren en vormen.’

TdB: ‘Ja. Net zoals we nu onderkennen dat er tussen man en vrouw nog een heel spectrum aan genders zit, zo zou dat besef er ook voor geestelijke diversiteit moeten komen.’

100 dagen in je hoofd

Cadeautje!

Je leest dit artikel gratis. Wil je meer van de VPRO Gids? Neem een abonnement. Nu 12 weken voor slechts 10 euro. Ik wil meer lezen →