cadeautje!

Je leest dit artikel gratis. Wil je meer van de VPRO Gids? Neem een abonnement. Ik wil meer lezen

Niks mis met niksdoen

Katja de Bruin

Ledigheid is des duivels oorkussen, heet het. Maar wat is het verleidelijk en aangenaam om helemaal niks uit te voeren. Talloze boekpersonages, bijna altijd mannen, geven het goede voorbeeld.  

De kans is groot dat u niet weet wie Sean Moeller is, maar we mogen hem dankbaar zijn. Dit is de man die in 1985 15 augustus uitriep tot Nationale Relax Dag. Die ene dag in het jaar waarop we het zalige nietsdoen vieren. Maar hoe bereik je die staat van il dolce far niente? Daar heb je boeken voor.
Maartje Willems is bij lange na niet de enige die een boek schreef over niksen. Olga Mecking kwam eind maart met Niksen: De Dutch Art of luieren, Jenny Odell komt half mei met De macht van het nietsdoen. Een radicaal verzet tegen de aandachteconomie, en dan verscheen half april ook nog De kunst van het nietsdoen van de Japanse dichter Kenkō (1284-1350), die zijn baan als hofdichter van de keizer opzegde om kluizenaar te worden.
Vier boeken over hetzelfde onderwerp die min of meer gelijktijdig verschijnen. Dat kan geen toeval zijn. Maar dat is het wel. Want dit is bepaald geen nieuw onderwerp. Oscar Wilde zei al dat niksdoen hard werken is, en ook onze eigen Carmiggelt vond dat er geen moeilijker kunst was dan ‘waarlijk uitgebalanceerd nietsdoen’. Cees Buddingh’ ging daar nog eens overheen door te beweren dat er meer tijd wordt verknoeid met werken dan met nietsdoen.
Nu ledigheid ons vanuit alle hoeken van ons quarantaineverblijf beloert, zijn we extra gevoelig voor deze boodschap, die overigens meestal door mannen wordt verkondigd. De geschiedenis leert dat vooral zij de kunst van het luieren beheersen. Pas als ook vrouwen zonder schuldgevoel onbeschaamd lui durven zijn, zonder dat daar een yogamatje of mindfulnessapp aan te pas komt, is de emancipatie echt voltooid.

Levenskunst

Olga Mecking is Pools maar woont in Nederland. Ze heeft de rest van de wereld wijsgemaakt dat niksen een typisch Nederlandse vaardigheid is. Een artikel over Hollands niksen voor The New York Times ging viral en leidde tot een boek en een Facebookgroep: The Nikseneers, voor ‘people who love doing nothing’.
Het boek van Jenny Odell is een antikapitalistisch manifest waarin ook technologische verworvenheden kritisch worden doorgelicht. Odell pleit voor vaker nee zeggen en meer tijd alleen doorbrengen, bij voorkeur buiten. Vogels kijken is voor haar de ultieme manier om los te komen van haar aardse plichten.
Vermakelijker is de cultuurhistorische studie Lof der luiheid (2003) waarin Tom Hodgskinson Descartes, Nietzsche, Hugh Hefner, Winnie de Poeh en John Lennon (die nummers schreef als ‘Watching the Wheels’ en ‘I’m so tired’) bijsleept om zijn punt te maken. G.K. Chesterton betoogde in zijn essay ‘On Lying in Bed’ dat een man het recht heeft zelf te bepalen hoe laat hij opstaat. En wat zegt Jezus ook alweer in Mattheus 6:28? Kijk eens naar de bloemen in het veld. Die staan daar te bloeien zonder zich druk te maken!
Egocentrisme is noodzakelijk voor wie nietsdoen tot levenskunst verheft. Henry David Thoreau oogstte grote bewondering met Walden (1854), waarin hij noteerde hoe hij twee jaar en twee maanden in zijn eentje in een boshut aan de rand van een meer woonde. Hij verzuimde te vermelden dat zijn moeder en zusters hem dagelijks een voedzaam maaltje brachten, waarna ze ongetwijfeld ook gelijk een doekje over de tafel haalden.
Voor een echt lui bestaan is een comfortabel inkomen onontbeerlijk. Oblomov (1859), de held uit de gelijknamige roman van Gontsjarov, was van adel en had een (overigens ook uiterst luie) knecht. Logisch dus dat hij de eerste honderdvijftig pagina’s zijn bed niet uitkomt. Ook als hij uiteindelijk wel in beweging komt, is er weinig dadendrang te bespeuren.
Karel van het Reve vond trouwens dat Oblomov het op zijn manier nog best druk had. Hij ontving tenslotte heel wat bezoekers, met wie hij lange gesprekken voerde. Dat hij daarbij op de divan bleef liggen, deed aan die inspanning niets aan af.
Oblomov staat qua luiheid op eenzame hoogte, maar hij is niet de enige die er liever bij gaat liggen. Hans Castorp, hoofdpersoon van Thomas Manns De toverberg (1924), bezoekt zijn neef Joachim in sanatorium Berghof. Als ze op de eerste dag van zijn bezoek een eindje gaan wandelen, informeert Hans al verlangend hoe laat de volgende ‘ligkuur’ begint. Op het balkon liggen in zo’n voortreffelijke stoel bevalt hem zo goed dat hij uiteindelijk zeven jaar blijft.

Indolentie

Ook de 28-jarige C. uit De lanterfanter (1959) van Yusuf Atilgan leeft van een erfenis. Hij verzet zich tegen het idee dat een mens zou moeten werken. Productief zijn? Nuttig zijn? Waarom zou je, als je ook gewoon op straat naar mooie vrouwenbenen kunt kijken? Bovendien is niksdoen ook een kunst. Volgens C. zelfs ‘het allermoeilijkste dat er is’.
Geweldig lui is ook Liam, die op z’n 31ste nog altijd bij zijn ouders woont. Die kunnen zijn indolentie niet meer aanzien. Als kind weigerde hij al zelf het klittenband van zijn schoentjes dicht te vouwen en wilde hij beslist gevoerd worden in plaats van zelf een lepel ter hand te nemen. Eenmaal volwassen doet hij nog steeds niks. In het kostelijke verhaal ‘Huiselijk terrorisme’ (uit de bundel Bezit, 2018) van Lionel Shriver dringen zijn wanhopige ouders erop aan dat hij een baan zoekt en op zichzelf gaat wonen. Liams reactie: ‘Ik snap hoe je dat kunt denken. Maar ik probeer het niet te horen.’
Wie geen erfenis heeft, loopt klap. De allermooiste uitvreter (1918) is natuurlijk Nescio’s Japi, die voornamelijk voor zich uit zit te staren, bij voorkeur aan het water. ‘Ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog veel te veel. Het beste is, dat ik maar stil zit, bewegen en denken is goed voor domme mensen.’
Met Japi liep het niet goed af, maar veel luiaards trekken aan het langste eind, waarmee het gelijk van hun overtuiging dat niksdoen vaak het beste is, nog maar eens wordt bevestigd.
Zijn er naast al die romanhelden eigenlijk ook fictieve vrouwen die liefst zo weinig mogelijk uitvoeren? Zeker wel. Een recent hoogtepunt is de naamloze hoofdpersoon uit Ottessa Moshfeghs Mijn jaar van rust en kalmte (2018) die een soort winterslaap houdt in haar New Yorkse appartement. Ze stopt met epileren, waxen, scrubben, scheren en bleken en ligt alleen nog maar op de bank of in bed. Haar actieradius reikt niet verder dan de buurtwinkel en als ze niet slaapt, kijkt ze naar films met Harrison Ford of Whoopi Goldberg.
Kenkō, de Japanse kluizenaar noteerde in de dertiende eeuw het volgende: ‘Wat lijkt het waanzin om in ledigheid hele dagen achter mijn inktsteen door te brengen en zomaar, lukraak, de eerste gedachten op te tekenen die in me opkomen…’ Met alle respect Kenkō, maar de hele dag achter je inktsteen zitten schrijven, dat noemen wij  gewoon werken.
terug naar de gids