De afgelopen decennia is het aantal films dat jaarlijks in de Nederlandse bioscopen verschijnt min of meer verdubbeld. Hoe kan dat? Gaat het dan toch minder slecht met de filmindustrie dan vaak wordt beweerd? Of is dit een teken van een oververhitte markt? ‘Alles is veel goedkoper en minder bewerkelijk geworden.’

Heeft de bioscoop nog toekomst? Het afgelopen jaar stemde het nieuws over de filmindustrie weer niet erg hoopvol. Wereldwijd is het bioscoopbezoek nog steeds veel lager dan vóór de pandemie en intussen blijven de streamers maar terrein winnen. Cijfers tonen aan dat de grote Hollywoodstudio’s steeds minder films uitbrengen – een trend die al zo’n vijftien jaar geleden werd ingezet. Tel daar de recente stakingen, natuurrampen en politieke onrust in de VS bij op en een kentering ligt bepaald niet voor de hand.

Netflixbaas Ted Sarandos wond er onlangs in gesprek met Time Magazine geen doekjes om. ‘Wat zeggen die dalende cijfers? Wat willen consumenten ons duidelijk maken? Dat ze liever gewoon thuis een film bekijken.’ Volgens Sarandos beschouwen steeds meer mensen bioscoopbezoek als een achterhaalde vorm van vermaak. Hollywood mag zijn bedrijf wel dankbaar zijn, zeg hij, omdat Netflix al die verlies draaiende studiofilms tenminste nog aan een publiek helpt.

‘Het is voor films steeds moeilijker om een publiek te trekken. Veel subsidieregelingen van het Filmfonds zijn structureel overvraagd’

Marieke van Zalk (Filmfonds)

Intussen valt bij al dit pessimisme wel een kanttekening te maken. Als het zo slecht gaat met de bioscoop (en ja, ook in Nederland zijn de bezoekcijfers nog altijd lager dan vóór corona), waarom worden er de laatste jaren dan zo waanzinnig veel films uitgebracht? Voor wie het nog niet was opgevallen: sinds de eeuwwisseling is het aantal jaarlijkse bioscoopreleases in Nederland min of meer verdubbeld, en het aantal Nederlandse producties zelfs verdriedubbeld. En dan wordt er ook nog een hele lading titels rechtstreeks uitgebracht op de streamers.

Hoe zit dat? Waar komen al die films vandaan? Valt het dan toch wel mee met de staat van de filmindustrie? Hoe groter het aanbod, hoe beter voor het publiek, toch?

De cijfers op een rij

In 2000 werden 263 nieuwe films uitgebracht in de Nederlandse bioscopen. En in 2025? Maar liefst 542. En dat terwijl het aanbod via streaming de afgelopen jaren ook is geëxplodeerd. Zo bracht alleen Netflix vorig jaar 120 nieuwe eigen speelfilms uit in Nederland en ruim veertig eigen documentaires.

Onderstaande cijfers zijn afkomstig van de NVBF (Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters)

Jaar Aantal films
2000 263
2001 242
2002 252
2003 272
2004 307
2005 324
2006 278
2007 292
2008 296
2009 334
2010 325
2011 343
2012 364
2013 353
2014 362
2015 371
2016 371
2017 407
2018 432
2019 492
2020 340
2021 297
2022 468
2023 502
2024 523
2025 542

Films draaien tegenwoordig korter

Hoewel er niet direct onderzoek naar is gedaan, zijn er wel wat logische verklaringen te noemen voor het almaar stijgende aantal releases, zegt Daan Bos, analist bij de filmbrancheorganisatie NVPI. ‘Het is de laatste jaren aanzienlijk eenvoudiger geworden om films te maken en uit te brengen. Dat is misschien de meest voor de hand liggende oorzaak. Vanaf de late jaren negentig werden steeds meer films digitaal geschoten in plaats van op celluloid, en kort daarop stapten ook de bioscopen over op digitale projectie. Dat maakte alles veel goedkoper en minder bewerkelijk. En dankzij sociale media hoeft bijvoorbeeld ook marketing veel minder te kosten. Daar komt bij dat films tegenwoordig korter draaien, omdat ze al snel naar de streamers gaan. Daardoor ontstaat ook meer ruimte in de bioscoop.’

Bos wijst erop dat het stijgende aantal films niet moet worden verward met financieel succes. De analyse van Netflixbaas Sarandos kan hij enigszins onderschrijven. ‘Het is niet te ontkennen dat er minder animo is voor Hollywoodfilms op het grote scherm. Daarvan denken mensen steeds vaker: die bekijk ik over een maand of twee wel thuis. De groei van het aantal titels zit puur in het minder commerciële en internationale segment. De filmtheaters doen het de laatste jaren opvallend goed. Het publiek lijkt steeds meer open te staan voor films in andere talen dan Engels of Nederlands – een ontwikkeling die allicht mede te danken is aan de streamers, denk maar aan een Netflixhit als Squid Game. Filmdistributeurs spelen daarop in door bijvoorbeeld steeds meer Aziatische animefilms en Bollywoodfilms te programmeren. Als je dat brede, internationale aanbod eenmaal op de radar hebt, is de keuze natuurlijk eindeloos. En vaak wordt er aan zulke titels dan ook nog een inleiding of een Q&A toegevoegd, of er wordt een hele thema-avond georganiseerd. Zo wordt een bioscoopbezoek echt een uitje. Zulke event cinema doet het tegenwoordig erg goed.’

Vicieuze cirkel

Voor de serieuze filmliefhebber klinkt dit allemaal best voordelig: wat minder formulewerk uit Hollywood, wat meer variatie en verdieping. Maar de industrie wordt er niet gezonder van. ‘Een keerzijde van het grote filmaanbod is de hevige concurrentie,’ zegt Marieke van Zalk van het Filmfonds, dat betrokken is bij veel Nederlandse producties. ‘Het is voor individuele films moeilijker dan ooit om zich te onderscheiden en een publiek te trekken. Veel van de subsidieregelingen van het Filmfonds zijn dan ook structureel overvraagd.’

Niet voor niets besloot het Filmfonds onlangs om een beperkter aantal films met meer geld te gaan ondersteunen. Van Zalk licht toe: ‘Een hoger budget geeft op alle fronten meer ruimte aan het makersteam en verhoogt de production value, waardoor Nederlandse films zowel in het binnen- als in het buitenland beter kunnen concurreren.’

Pim Hermeling, eigenaar van distributeur September Film en exploitant van de Amsterdamse bioscoop Het Ketelhuis, is er duidelijk over. ‘Het is allemaal veel te veel. Er zijn te veel distributeurs, te veel producenten en te veel films. Ik denk dat we echt aan de taks zitten van de releases die we aankunnen. Dat is een algemeen probleem, ook in de landen om ons heen.’

Volgens Hermeling is er een soort vicieuze cirkel ontstaan. ‘Op de streamers verschijnen constant nieuwe titels. Daar raakt het filmpubliek aan gewend, zo’n snelle roulatie verwachten ze ook in de bioscoop. De exploitanten, die veel investeren in comfort en techniek, gaan hier graag in mee, want zo kunnen zij vaker adverteren. En dat levert ook weer kansen op voor nieuwe distributeurs. Maar intussen is de rek er dus uit: het totale publiek neemt eerder af dan toe, dus moeten wij met steeds meer distributeurs steeds minder opbrengst delen. Je hebt nu films die misschien 2000 bezoekers trekken, dat is lang niet genoeg om de kosten te dekken. Er zullen onvermijdelijk distributeurs gaan verdwijnen.’

Ondanks deze zorgen durft Hermeling toch op een positieve noot af te sluiten. ‘Dit soort ontwikkelingen horen er ook een beetje bij natuurlijk. Toen ik ooit met dit werk begon, werd er nog geroepen dat video de ondergang van de bioscoop zou betekenen. Nou, video is intussen verdwenen en de bioscoop is er nog steeds. En die zal ook echt wel blijven.’

elke vrijdag