VPRO Gids 35

28 augustus t/m 3 september
Pagina 34 - ‘‘Ik heb eindelijk het gevoel: hier hoor ik’’
papier
34

Cadeautje!

Je leest dit artikel gratis. Wil je meer van de VPRO Gids? Neem een abonnement. Nu 12 weken voor slechts 10 euro. Ik wil meer lezen →

‘Ik heb eindelijk het gevoel: hier hoor ik’

Katja de Bruin

Ine Boermans is de nieuwe columnist van de VPRO Gids. Een kennismakingsgesprek over lanterfanten, condooms verkopen en het nut van schrijfles. ‘Ik zal altijd schrijven over dingen die dicht bij me staan, maar het is nooit helemaal de waarheid.’

Ine Boermans

Dat Ine Boermans (1976) een volbloed VPRO-kind was, wisten we niet toen we haar vroegen of ze onze nieuwe columnist wilde worden. Maar vandaag blijkt – hier in Groningen, waar ze woont met man en twee zoontjes – hoezeer de VPRO Gids met haar leven vervlochten is geweest. Als kind las ze de gids al, dankzij haar vader, die een echte Vrij Nederland-, NRC- en VPRO-man is. Ze las niet alleen ‘Achterwerk’, maar ook de stukjes in de Etalage. Daar is zelfs fotografisch bewijs van. ‘Ik heb best veel foto’s waar ik op sta terwijl ik de VPRO Gids lees. Dankzij jullie heb ik menig pubquiz gewonnen en ontzettend veel goeie films gezien.’

Toen ze op kamers ging, gaf haar vader haar een abonnement. Dat klinkt als een gedegen opvoeding, maar op die opvoeding valt wel het een en ander af te dingen. Daarover gaat haar debuutroman Een opsomming van tekortkomingen, een even komisch als tragisch verhaal, waarin hoofdpersoon Lot de dood van haar moeder en de stroeve relatie met haar vader probeert te verwerken met hulp van een gortdroge therapeut. In brieven aan Lots overleden moeder, gesprekken met die therapeut en flarden uit het leven met haar onmogelijke vader slaagt Ine Boermans erin zowel te vermaken als te ontroeren. Dat doet ze in nog geen 200 pagina’s soepel proza, waar je in een avond doorheen vliegt.

Ine Boermans leest de (dan nog zwart-witte) VPRO Gids in 1991

Ine Boermans leest de (dan nog zwart-witte) VPRO Gids in 1991

Ine is Lot niet, maar fictie en werkelijkheid liggen in dit geval net zo dicht bij elkaar als Groningen en Drenthe. Ook Ine Boermans had niet bepaald een rimpelloze jeugd, als enig kind van ouders die uit elkaar gingen toen zij nog een kleuter was. Haar warme maar chaotische moeder zorgde niet voor veel stabiliteit, haar narcistische vader dwong na veel getouwtrek af dat ze bij hem kwam wonen, waarna hij haar constant inpeperde dat ze te veel lawaai maakte, niet luisterde, niet haar best deed op school, niet dankbaar was en de kaasschaaf niet op de juiste wijze hanteerde.

Op haar zeventiende gaat ze op kamers. Een paar jaar later overlijdt haar moeder plotseling. Het contact met haar vader blijft moeizaam. Om de zoveel tijd laat hij per brief weten dat hij haar niet meer wil zien. De laatste jaren hebben ze geen contact meer. Aan de gedachte dat hij vanaf nu zijn dochter wekelijks in de kolommen van de VPRO Gids tegenkomt, moet ze nog wennen.

Ultieme lanterfanter

Verwacht van haar geen mijmeringen over hoe ze als zesjarige al verhaaltjes schreef en ervan droomde om schrijver te worden. Nee, Ine Boermans was jarenlang de ultieme lanterfanter. Zegt ze zelf. In haar jeugd verhuisde ze van het ene Drentse dorp naar het andere. Nergens voelde ze zich thuis. De volgende halte was Groningen, waar ze naar kunstacademie Minerva ging. Ze had er een heerlijke studententijd, maar vertrok toch. ‘Alle docenten op Minerva woonden in Amsterdam. In het laatste jaar zeiden ze allemaal: blijf hier niet hangen, denk aan je toekomst. Iedereen ging naar Amsterdam.’

‘Bij alles dacht ik: ik doe het niet goed, ik kan dit niet, ik ben hier niet geschikt voor’

Ine Boermans

Ze kwam terecht in een antikraakpand op de Wallen. ‘Tussen de transgenderprostituees, die hadden een eigen hoekje. Ze kwamen geregeld bij ons over de vloer. Ik betaalde honderd euro inclusief voor mijn kamer en ik kon er elke maand uit worden gezet. Uiteindelijk heb ik er zes jaar gewoond. Ze moesten me er echt uitvegen. Het pand was al totaal verrot toen ik erin kwam, maar we hebben de ornamenten van het dak gefeest. Ik had allerlei baantjes: in de horeca, in een spijkerbroekenwinkel, in de Condomerie, wat trouwens een superleuk, fris bedrijf is. Maar ja, wat doe je daar de hele dag? Grappige condooms met een molentje verkopen aan lachende toeristen. Dan kun je wel zeggen dat je kunstenaar bent, maar je staat gewoon condooms te verkopen. Intussen was ik wel aangesloten bij een kunstenaarscollectief en zo heb ik een straatgalerie kunnen overnemen. Die zat in een zijstraat van de Nieuwendijk. Zeven grote etalageramen die ’s nachts verlicht waren. De Hema betaalde de stroom, zonder dat ze dat wisten trouwens.’ De kunstwereld was haar wereld. Ze deed mee aan wedstrijden, won wel eens wat, exposeerde in Arti, had zelfs een solotentoonstelling. ‘Ik was er niet slecht in, maar ik kon er niet van leven.’ Dus bleef ze spijkerbroeken, bier en condooms verkopen. Wat overbleef, stak ze in haar galerie.

Toen werd ze ziek. Niet zomaar ziek. Ze was net 34 en bleek MS te hebben. Ze vindt het lastig te bepalen of ze het wel of niet moet vertellen. ‘Het is geen geheim, maar is het van belang voor mijn boek? Nee. Voor mijn leven? Ja. Soms.’ Pas na de geboorte van haar oudste zoon, nu zeven jaar geleden, dacht ze: misschien moet ik gaan schrijven. Ze had altijd veel gelezen, maar nooit overwogen te gaan schrijven. Dus meldde ze zich aan voor een beginnerscursus. Die werd gegeven door Nicolien Mizee. ‘Ik heb geen moment gedacht: ik kan dit zo wel, dus zo’n cursus leek me een goed idee. Nicolien was echt een goede juf. Na de eerste les schreef ik een heel pretentieus verhaal. Haar enige reactie was: “Hm.” Vanaf dat moment dacht ik: ik schrijf gewoon wat ik wil. Mijn doel werd Nicolien aan het lachen maken. Zij heeft me op het juiste pad gezet door me te laten zien dat je komedie ook kunt gebruiken om iets tragisch te vertellen.’

Droombaan

Het is echt niet zo dat ze haar wonderlijke jeugd in haar werk tot op de laatste druppel zal uitmelken. Integendeel. Ze denkt juist dat overal een verhaal in zit. Het is maar hoe je het opschrijft. ‘Ik zal altijd schrijven over dingen die dicht bij me staan, maar het is nooit helemaal de waarheid. Ik heb na Minerva nog anderhalf jaar documentaire fotografie gedaan. Daar werd voortdurend de vraag gesteld: wat is de waarheid en wat is documentair? Waarom fotografeer je dit onkruid, maar niet dat onkruid ernaast? Je komt er nooit uit. De hele waarheid is niet vast te leggen.’

Haar roman verscheen in februari. Iedereen zat thuis. Er kon en mocht niks. De boekwinkels waren dicht. Via Zoom proostte ze met haar uitgever op dit feestelijke moment, waarna ze zich erop instelde dat het boek door niemand zou worden opgemerkt. In dat geval kon ze gewoon corona de schuld geven. Maar het liep anders. Ze kreeg mooie recensies in NRC en Trouw, interviews in de Volkskrant en Kunststof, Youp van ’t Hek schreef een jubelende column in de Varagids.

Vlak nadat we haar gestrikt hadden als columnist vroeg de Volkskrant of ze Sylvia Witteman wilde vervangen tijdens haar vakantie. Ze is blij verrast door de aandacht en erkenning. En die column in de VPRO Gids, dat is haar droombaan. ‘Ik heb altijd een bepaalde vorm van stress gevoeld bij wat ik deed. Bij alles dacht ik: ik doe het niet goed, ik kan dit niet, ik ben hier niet geschikt voor. Ik werkte veel in de horeca, maar ik was er heel slecht in. Ik verkocht spijkerbroeken, maar ik had nooit het gevoel dat ik dat goed deed. Ik ging op softbal en ik dacht bij elke wedstrijd: ik hoop niet dat er een bal mijn kant op komt. Ik dacht alleen maar: ik hoor hier niet. Nu heb ik dat helemaal niet. Ik denk dat het wel goed komt, dat ik het kan, dat ik op mijn plek zit. Ik voel geen stress, geen druk. Nu heb ik eindelijk het gevoel: hier hoor ik.’

Ine Boermans
Een opsomming van tekortkomingen 

Uitgeverij Orlando

naar de vpro boekengids