wil jij een verhaal dat verder gaat?

help ons vooruit!

Cadeautje!

Je leest dit artikel gratis. Wil je meer van de VPRO Gids? Neem een abonnement. Nu 12 weken voor slechts 10 euro. Ik wil meer lezen →

Hoe de kat op z’n pootjes terechtkwam

Katja de Bruin

In Zat het snor? brengt de Vlaamse historicus Erik Aerts de geschiedenis van de kat in de Lage Landen in kaart. Kattenliefhebbers zijn gewaarschuwd: de voorouders van onze harige huisgenootjes hadden het zwaar te verduren.

David Bles, Twee jonge vrouwen aan een tafel (1870). De dame links borduurt en leest in de Bijbel, de andere trekt met een jojo de aandacht van een slapende kat.

Het was een opmerkelijk bericht in het AD van 18 mei jl.: dierenarts Pim Hegeman vertelde hoe hij zijn handen vol had aan katten met coronastress. ‘Door de corona is hun vertrouwde leventje compleet op zijn kop gezet,’ aldus dokter Pim, die zijn patiënten onder meer behandelde met antidepressiva, geurdispensers en rustgevende brokjes. Op de vraag hoe die brokjes dat voor elkaar krijgen, blijkt het antwoord dat ze ‘stressverlagende ingrediënten’ bevatten.
Het is nieuws waar je wel even van moet bekomen, zeker wanneer je toevallig net een boek over onze omgang met katten door de eeuwen heen hebt gelezen. De voorouders van onze schootvriendjes hadden wel wat anders aan hun harige kop dan kinderen die ineens de hele dag thuis zijn.
In een op de vier Nederlandse huishoudens loopt minstens één kat rond. In totaal zijn het er naar schatting 2,6 miljoen. Een gouden idee dus van Erik Aerts om de geschiedenis van de kat in de Lage Landen eens in kaart te brengen. De Vlaamse historicus bestudeerde theologische traktaten, middeleeuwse bestiaria, dagboeken, procesverslagen, wetteksten, rekeningen, krantenartikelen, inventarissen, gedichten, prenten, liedteksten en toneelstukken en noteerde zijn bevindingen onder de titel Zat het snor?
Theodore Galle, Duiveluitdrijving door de heilige Dominicus (1610, naar een tekening van Pieter de Jode en een ontwerp van Joannes Nys)

Theodore Galle, Duiveluitdrijving door de heilige Dominicus (1610, naar een tekening van Pieter de Jode en een ontwerp van Joannes Nys)

Zo’n zouteloze titel doet het ergste vrezen, maar wees gerust: dit is een gedegen cultuurhistorische studie, compleet met notenapparaat en literatuurlijst. Aerts, die zichzelf de jaloersmakende functie ‘dierhistoricus’ opspeldt, heeft elke kattensnipper uit onze vaderlandse geschiedenis bestudeerd: een urinevlek op perkament, een pootafdrukje in inkt, een opgegraven kadaver, een ingemetseld geraamte, zelfs een pootafdruk op een dakpan in een Romeinse waterput in Oost-Vlaanderen.

Kokend vet

Wie dacht dat al die bronnen samen een grote liefdesverklaring zouden vormen, heeft weinig realiteitszin. Geen dier dat het eeuwenlang zo zwaar te verduren had als de kat. Katten werden verminkt (‘snij zijn oortjes af, dan loopt hij niet weg’), gevild (‘een catte die eenen schone pels heeft die salmen villen’), opgegeten (‘Erasmus merkte op dat kattenvlees gemakkelijk voor een konijnenpasteitje kon doorgaan’), gemaltraiteerd (‘een bacteriële vingerontsteking met abcesvorming kon genezen door de ontstoken vinger in het oor van een kat te duwen’) of verketterd als personificatie van de duivel zelf. Als kattenliefhebber moet je over stalen zenuwen beschikken om deze aaneenschakeling van brute martelpraktijken uit te zitten. Pas in het laatste hoofdstuk keert het tij en krijgt de kat de onmetelijke liefde die hem nu massaal ten deel valt.
Volgens een kinderboek is een kat ‘een zeer valsch, trouwloos en diefagtig dier’ dat probeert ‘om haare schelmstukjes en bedriegeryen, op de listigste wyze ten uitvoer te brengen’
Het oudste kattenfossiel ooit gevonden is vier tot zes miljoen jaar oud, maar dat werd ergens in Tibet opgegraven. Aerts beperkt zich echter tot onze contreien, dus begint zijn verhaal pas op het moment dat de Romeinen aanmeerden in Gallië. Onze Hollandse huiskat stamt volgens archeologen namelijk af van de scheepskatten die van boord ontsnapten. Het mogen dan rare jongens zijn, die Romeinen, maar voor dit cadeautje mogen we ze dankbaar zijn, al duurde het dus wel een paar eeuwen voordat katten zich opwerkten tot gewaardeerde huisgenoten.
Ondanks het feit dat ze volksstammen hebben behoed voor de hongerdood door muizen en ratten te vangen die het op de graanvoorraden hadden voorzien, werden katten vooral als noodzakelijk kwaad getolereerd. De kat werd niet gekoesterd maar verrichtte wel uiterst nuttig werk.
Honoré Daumier, spotprent (1841). Een hongerige stroper probeert in een Parijse steeg een kat te vangen.

Honoré Daumier, spotprent (1841). Een hongerige stroper probeert in een Parijse steeg een kat te vangen.

Toen de middeleeuwers, aangemoedigd door hun kerkleiders, bezeten raakten van angst voor heksen en duivels, was de muizelaar ineens het haasje. Heksen en duivels verrichtten hun demonische werk door de gedaante van een kat aan te nemen. Gelukkig waren er methoden om erachter te komen of die spinnende grijze bal daar voor het haardvuur eigenlijk wel een kat was. Door zijn pootjes te breken of in kokend vet te dompelen, kon je controleren of hij duivelse bedoelingen had of gewoon lag uit te buiken van een malse rat. Het bijgeloof was zo wijdverbreid dat niemand opkeek van de getuigenis van een nachtwaker die op 2 november 1655 even na middernacht een groep zwarte katten had zien dansen op het kerkhof van Katwijk.

Moordmachine

Omdat de kat geen prominente rol inneemt in geschreven bronnen (in de Bijbel wordt zelfs met geen woord over zijn bestaan gerept), besteedt Aerts relatief veel aandacht aan wat er te leren valt van zijn aanwezigheid op schilderijen en prenten. Daarom is het fijn dat dit boek rijkelijk geïllustreerd is, al zijn veel afgebeelde poezen oerlelijk of ronduit eng. De kat in de kunst had het ook al niet makkelijk. Hij zit ergens in een hoekje duivels te grijnzen en anders probeert hij wel geniepig een vis van de keukentafel te snaaien.
Jan Steen liet in een van zijn beroemde huiselijke tafereeltjes zien hoe een stel kinderen een doodsbang poesje op tafel laten dansen. Op een ander schilderij van hem zie je hoe een stomdronken vrouw wijdbeens tegen een al even weerzinwekkende vent aanleunt, wat een ogenschijnlijk onschuldig zwart-wit poesje de kans geeft onder haar rok naar haar edele delen te gluren. De dubbele betekenis van het woord poes blijkt trouwens al heel oud. In een rederijkersklucht uit 1564 komt het voor het eerst in gedrukte vorm voor. Katten zijn al eeuwen onderwerp van erotisch geladen beeldspraak, met dank aan krolse poezen die hun paringsdrift letterlijk van de daken schreeuwen. Behalve duivels en seksueel onverzadigbaar golden katten ook nog als vraatzuchtig, vals en, niet geheel ten onrechte, onmetelijk lui.
Jan Steen, De dansles (ca. 1660-1679). Kinderen willen een poes leren dansen.

Jan Steen, De dansles (ca. 1660-1679). Kinderen willen een poes leren dansen.

Ter illustratie citeert Aerts een aantal vermakelijke antropomorfische teksten. Zo leert een boek voor kinderen dat een kat ‘een zeer valsch, trouwloos en diefagtig dier’ is dat altijd probeert ‘om haare schelmstukjes en bedriegeryen, op de listigste wyze ten uitvoer te brengen’. In een Franse encyclopedie uit 1775 wordt de kat omschreven als een ‘trouwloos huisgenoot’ met ‘ingeschaapene kwaadaartigheid, valsch gevlei en geveinsde onnozelheid’. Honderd jaar later rept tijdschrift De Nederlandse Spectator van een ‘geniepig, wreed, valsch, egoïstisch, ontrouw’ dier.
Nu lachen we smakelijk om die neiging om dieren zulke menselijke eigenschappen toe te dichten. Totdat je je realiseert dat niet iedereen deze gewoonte heeft afgezworen. Want hoewel de kat anno nu weinig te klagen heeft over menselijke affectie, is het onder sommige vogelliefhebbers bon ton om katten te betitelen als ‘massamoordenaars’, ‘moordmachines’ of, zoals Jonathan Franzen in zijn laatste roman Vrijheid deed, als de ‘sociopaten in de huisdierenwereld’.

Jufferlijke manieren

Rabiate kattenhaters zullen aan dit boek buitengewoon veel genoegen beleven, want wreed volksvermaak als katknuppelen wordt breed uitgemeten, evenals de medicinale toepassing van zo ongeveer elk kattenonderdeeltje. Wij walgen nu collectief van die Chinese vleermuissoep, maar nog niet zo lang geleden kon je hier bij drogist of apotheek een geprepareerd kattenvelletje kopen, ter verlichting van reumatische klachten. Zalf van kattenvet werd gebruikt tegen zweren en kloven, bloed uit de oren hielp tegen wondroos en kattenpoep gemengd met mosterd en azijn was een probaat middel tegen haaruitval.

Cadeautje!

Je leest dit artikel gratis. Wil je meer van de VPRO Gids? Neem een abonnement. Nu 12 weken voor slechts 10 euro. Ik wil meer lezen →

Pas als je na eeuwen van kattenleed naar adem snakkend in de touwen hangt, dienen zich de eerste hoopgevende tekenen aan. Ergens halverwege de zeventiende eeuw gold het hebben van een huiskat vanwege ‘de stille huiselijkheid en jufferlijke manieren’ onder welgestelde burgers als symbool van beschaving. In 1865 verscheen in een Nederlandse krant een advertentie van de familie De Haan uit Amsterdam: ‘Weggeloopen op den avond van den 23sten October: een Zwart- en Witbonte POES met half zwart aangezigt’. In 1875 werd kattenmishandeling bij wet verboden, in 1893 opende in Den Haag de deur van een kattenasiel. Tussen de beide wereldoorlogen in trokken fietskoeriers door grote steden om vieze kattenbakken om te ruilen voor schone. Toen de kruidenier halverwege de jaren twintig kattenbrood ging verkopen was de emancipatie een feit: de muizenvanger had zich opgewerkt tot gezinslid.
De duivel van weleer wordt nu aanbeden als huisgod, maar hij heeft er verdomd hard voor moeten werken.

Zat het snor? Een geschiedenis van kat en mens in de Lage Landen
Uitgeverij Sterck & De Vreese

terug naar de gids