cadeautje!

Je leest dit artikel gratis. Wil je meer van de VPRO Gids? Neem een abonnement. Ik wil meer lezen

Kersenhoeder

Dirk-Jan Arensman

De Brit Collingwood ‘Cherry’ Ingram zette zich met hart en ziel in voor de met ondergang bedreigde Japanse kersenboom. Hij schreef het standaardwerk Ornamental Cherries en bracht in zijn tuin honderdtwintig soorten tot bloei.

Ingram op 99-jarige leeftijd bij zijn landhuis The Grange, 1980

Je kunt ervoor naar de tuinen van het keizerlijk paleis in Kyoto afreizen. Ze zijn te vinden in arboretums in het Verenigd Koninkrijk en de VS. En ook in de Japanse tuinen in het Vlaamse Hasselt staan ze er binnenkort ongetwijfeld weer prachtig bij. Maar de dichtstbijzijnde plek om tijdens Hanami Matsuri, ofwel het Kersenbloesemfeest, de lente te vieren is toch het Bloesempark in het Amsterdamse Bos, net onder de A9 bij Amstelveen.
In het jaar 2000 schonk de Japanese Women’s Club vierhonderd kersenbomen (‘sakura’) aan de gemeente waar bedrijven als Canon, Ricoh en Mitsubishi vestigingen hebben. Ze werden geplant op twee grasvelden aan weerszijden van een wandelpad en, in een volmaakte cirkel, aan het eind daarvan. En wanneer ze eind maart, begin april in bloei staan, levert dat sindsdien sprookjesachtige wolken van witroze bloesemblaadjes op, die geleidelijk en fotogeniek van de takken dwarrelen.
Een drukbezocht maar betoverend schouwspel, waar je voorgoed anders naar kijkt na het lezen van Sakura. Het fascinerende boek dat de sinds 2001 in Londen woonachtige Japanse journaliste Naoko Abe schreef over de (cultuur)geschiedenis van de kersenbloesem in het algemeen en de opmerkelijke rol daarin van de Brit Collingwood ‘Cherry’ Ingram (1880-1981) in het bijzonder.
Ingram werd geboren in Westgate-on-Sea in Kent, in het soort steenrijke Victoriaanse familie dat ervoor garant stond dat hij nooit een dag in zijn leven zou hoeven werken. Zijn jeugd in en om een ‘luxueuze, elf kamers tellende bungalow’ (wegens een zwakke gezondheid bleven kostschooljaren hem bespaard) leest als een smakelijke, charmant excentrieke plattelandsidylle. Niet in de laatste plaats dankzij de bonte menagerie die zijn ouders, Mary en krantenmagnaat en politicus William James Ingram, er binnenshuis op nahielden.
Naast vijfendertig chins, ook wel Japanse spaniëls genoemd, was er de opvallende huisgenoot Darlie, een albinokauwtje dat in een gangkast woonde, zijn nest bouwde van haren uit de sabelbonten hoed van moeder Ingram en, wanneer de bediende de dinergong luidde, regelrecht naar de eettafel vloog om stukjes brood te bietsen. Waarbij hij gezelschap kreeg van vier albinomussen, twee albinomerels en ‘nog minstens tien andere albinovogels’ met namen als Isodor, Zombi en Bil-Bil, die de Ingrams liefdevol opvingen omdat ze, door hun genetisch defect slechtziend én slechthorend, in de vrije natuur nooit zouden overleven of een partner vinden.

Esthetische indigestie

Geen wonder dus dat Collingwood een passie voor ornithologie ontwikkelde. Een passie die dusdanig hoog opvlamde dat hij in 1907, tijdens hun huwelijksreis, zijn hoogzwangere vrouw Florence drie weken alleen liet om in de bergen vogels te gaan spotten, maar die twaalf jaar later nogal abrupt bekoelde.
‘Toen de redacteur van een van de belangrijkste ornithologische tijdschriften ter wereld het voldoende interessant achtte een artikel te publiceren waarin de schrijver vermeldde hoe vaak per etmaal een koolmees zich ontlast, kwam ik tot de conclusie dat het hoog tijd was me op een ander aspect van de natuur te richten,’ schreef hij daarover in een van de vele amusante en opvallend goed geschreven fragmenten uit zijn brieven en dagboekaantekeningen.
‘Ik koos voor planten.’ En specifiek voor de Japanse kersenbomen, waarover hij het standaardwerk Ornamental Cherries (1948) zou schrijven. Waarom?
Van Japan was hij al verrukt vanaf zijn eerste bezoek, in 1902. (‘Ik heb nog nooit mens en natuur in zo’n hechte harmonie gezien of een land met zulk een kunstzinnige smaak.’) Dat bij het landhuis The Grange, in het dorp Benenden, dat hij betrok in dezelfde tijd dat hij de vogelkunde de rug toekeerde, twee sierkersen stonden, zal geholpen hebben.
Maar de doorslag voor de blijvende toewijding aan de sierkers gaf waarschijnlijk een ontgoochelende (botanische) reis in 1926, toen zijn geliefde Arcadië grondig verpest bleek. Oude Japanse steden waren overwoekerd door ‘ultrawesterse gebouwen van grote omvang en lelijkheid’, en de monocultuur en ‘esthetische indigestie’ van de industrialisatie trof ook zijn geliefde sakura.
Aristocratische tuinen waren gebruikt als bouwgrond of getransformeerd tot theeplantages, terwijl waar ooit een rijke variëteit aan wilde en gecultiveerde kersenbloesems groeide, nu de recent gekweekte somei-yoshino negentig procent van het bomenbestand uitmaakte. Een snelgroeiende, ijzersterke soort, maar ook nogal grof en met een bloeiperiode van hooguit acht dagen.

Kersenwalhalla

Ingram begon stante pede aan een wekenlange sakura angya (‘kersenbloesempelgrimstocht’) om zoveel mogelijk andere soorten te verzamelen en mee te nemen naar The Grange. Waarna een flink deel van het boek gewijd is aan zijn carrière als sakuramori (‘kersenhoeder’). Aan zijn tochten langs tempeltuinen, over bergruggen en rivieren, om kostbare stekjes te bemachtigen, zijn contacten met even toegewijde Japanse collega’s. (Verhalen die overigens duidelijk maken dat de ondertitel ‘Hoe een Engelsman de Japanse kersenbloesem redde’ toch wel een tikkeltje overtrokken is.) Hoe hij in 1932 de uitgestorven taihaku-boom daar wist te herintroduceren door een loot ervan, in een opengesneden aardappel gedrukt, te verzenden via de Trans-Siberische spoorlijn. Of hoe zijn tuin een waar kersenwalhalla werd, waar uiteindelijk meer dan honderdtwintig veelkleurige soorten bloeiden, inclusief door hemzelf geschapen kruisingen.
Minstens zo interessant: de symbolische betekenis van de kersenbloesem, en hoe die in de loop van de tijd veranderde. Eeuwenlang, beschrijft Abe, was de sakura het sierlijke zinnebeeld van schoonheid, nieuw leven en een nieuw begin, in het melancholieke besef van de vergankelijkheid daarvan. Een teken van vrede, vriendschap en goede diplomatieke betrekkingen, zoals bijvoorbeeld bleek toen de burgemeester van Tokio in 1906 tweeduizend kersenbomen schonk aan de steden New York en Washington, als dank voor de rol van de Verenigde Staten in het beëindigen van de Russisch-Japanse Oorlog (1904-1905).  
Maar vanaf de jaren twintig gebruikten rechtse en militaristische krachten de bloesem steeds vaker om de glorie te bezingen van het als strijder/samoerai vallen voor de goddelijke keizer en het vaderland. Met als sinister dieptepunt de kamikazepiloten tijdens de Tweede Wereldoorlog, die met de bloemetjes geschilderd op hun vliegtuigen en uitgezwaaid door jonge meisjes met bloesemtakken in hun hand hun dood tegemoet vlogen.
Doodsbange jongens vaak, blijkt wanneer de kleinzoon wordt geïnterviewd van een vrouw, ene Tome Torihama, die eigenaresse was van een restaurant waar piloten-in-opleiding hun lunchpauzes doorbrachten. Bij haar huilden ze uit als ze tijdens hun training weer eens stokslagen hadden gekregen, en via haar stuurden ze, om de legercensuur te omzeilen, heimelijk briefjes naar hun familie waarin ze hun lot vervloeken.

Diversiteit

De leiders van Japan, aldus Abe, ‘hadden in minder dan een generatie tijd stilletjes en ongemerkt’ van de kersenbloemen ‘bloemen van massavernietiging’ gemaakt die, als propagandamiddel van een doodscultus, direct en indirect miljoenen mensen het leven kostte.
Pijnlijk ironische familiegeschiedenis in dit verband is die van Ingrams schoondochter Daphne Van Wart, een Britse legerverpleegster met Vlaamse wortels, die na de verovering van Hong Kong drie jaar aan honger en ontberingen in een Japans krijgsgevangenenkamp moest doorstaan, en die sindsdien stilletjes gruwde van zijn levenswerk.
Sombere passages  zijn het, in een rijk en uiteindelijk optimistisch stemmend boek, waarin Collingwood ‘Cherry’ Ingram zelf ook uitgroeit tot een symbool. Hij is de milieubeschermer avant la lettre, die tekeerging ‘tegen het onvermogen van de mens om de diversiteit van de aarde te waarderen en de broosheid ervan te beschermen’. Maar, misschien wel minstens zo belangrijk: hij is een eigenzinnig individu, een buitenlander bovendien, die een positief stempel drukte op een nadrukkelijk niet-multicultureel land als Japan. Wat, suggereert de schrijfster verschillende keren in meer en minder bedekte termen, laat zien dat diversiteit en je verzetten tegen conformisme niet alleen zaken om te koesteren zijn wanneer het om kersenbloesems gaat.
Want: ‘Een samenleving die verschillen omarmt kent af en toe conflicten, maar is robuust, energiek en toekomstgericht.’
Iets om bij stil te staan. In post-Brexit Engeland, en straks onder die bomen in Amstelveen eigenlijk ook.

Naoko Abe
Sakura. Hoe een Engelsman de Japanse kersenbloesem redde
(oorspr. The Sakura Obsession, vert. Fred Hendriks)

Uitgeverij Thomas Rap

terug naar de gids