VPRO Gids 2

8 januari t/m 14 januari
Pagina 10 - ‘Three, two, one, lift off’
papier
10

Three, two, one, lift off

Flip Vuijsje

In 1968 wilde David Bowie na de zoveelste tegenslag de handdoek in de ring gooien. Toen hij het een jaar later toch nog een keer probeerde was het raak: met ‘Space Oddity’ had hij eindelijk zijn eerste hit te pakken.

In het voorjaar van 1968 was voor David Bowie het breekpunt bereikt. Alwéér was een nieuwe song – door David aangedragen als zijn volgende single – geweigerd. Dus vroeg hij zijn platenmaatschappij of ze zijn contract wilden ontbinden. ‘Ik geloof niet dat het nog iets wordt met mij als zanger, ik denk dat ik maar ga dansen.’

Tot dan toe was hij steeds een volhouder geweest, onwrikbaar overtuigd van zijn grote toekomst. Maar nu, zes jaar na zijn debuutoptreden als vijftienjarige saxofonist in een Londens beginnersbandje, en intussen nóg drie bands plus een eerste soloavontuur verder, inclusief negen singles en een langspeelplaat die allemaal waren geflopt, was het op.

Debuutalbum David Bowie, 1967

Space Oddity (heruitgave uit 1972 van Bowies tweede album uit 1969, dat gek genoeg óók David Bowie heette)

Als David Robert Jones was hij op 8 januari 1947 geboren in Brixton. Deze Zuid-Londense buurt was toen nog niet de etnische smeltkroes van later, maar een doorsnee woonwijk was het evenmin. Al vóór de Tweede Wereldoorlog was Brixton een hotspot van volks variététheater. Kinderen groeiden er niet alleen op tussen de bomkraters die de Luftwaffe had veroorzaakt, ideale locaties voor spannend buitenspelen, maar ook tussen straat- en buurtgenoten die hun brood verdienden als artiest.

Davids moeder Peggy had een working-class-achtergrond en was ouvreuse in een bioscoop. Vader Haywood Jones kwam uit een ondernemersgezin, maar verkwistte zijn erfenis in domme zakelijke avonturen en werd promotieman en fondsenwerver bij een organisatie voor sociaal kwetsbare kinderen.

‘Tutti Frutti’

Door Davids familie aan moederskant liep een geschiedenis van psychische stoornissen, niet alleen bij drie van Peggy’s zusters, maar ook bij haar eigen zoon Terry, Davids tien jaar oudere halfbroer uit een eerdere relatie. Er is vaak gezegd, ook door David zelf, dat hij altijd bang is gebleven dat ook hem dit lot zou gaan treffen. Maar hij heeft later óók gezegd dat hij ‘een erg gelukkige jeugd’ had, waar ‘helemaal niets mis mee was’. Zijn moeder was een wat koele, soms vreugdeloze vrouw, maar zijn vader deed het in zijn nieuwe baan goed. En ook al was het gezin kleinbehuisd, ze hadden het breder dan de meesten van Davids klasgenootjes.

Doordat vader Haywood veel evenementen organiseerde had hij veel contact met entertainers. Dit maakte hem tot een apart soort vader, en het was ook Haywood die op een dag in 1956 voor zijn negenjarige zoontje een stapel 45-toerenplaatjes mee naar huis bracht, waaronder ‘Tutti Frutti’ van Little Richard. ‘Mijn hart sloeg op hol,’ herinnerde David zich later. ‘Ik had God gehoord.’

Ook in zijn halfbroer had David iemand die hem blijvend beïnvloedde. Terry bracht op David zijn liefde over voor de dichters en schrijvers van Amerika’s Beat Generation uit de jaren vijftig, zoals Jack Kerouac en William Burroughs. Hij liet David ook kennismaken met de avant-gardejazz van Charles Mingus en John Coltrane. Veel hiervan ging de jonge tiener boven de pet. Maar een blijvend gevolg was wél een brede artistieke nieuwsgierigheid die atypisch was voor zijn eigen generatie. Amerikaanse popmuziek en rock-’n-roll kregen de jonge David ook in hun greep, daarover geen misverstand. Maar bij hem speelde er altijd méér.