VPRO Gids 18

1 mei t/m 7 mei
Pagina 34 - ‘Joods zonder ballast’
papier
34

Cadeautje!

Je leest dit artikel gratis. Wil je meer van de VPRO Gids? Neem een abonnement. Nu 12 weken voor slechts 10 euro. Ik wil meer lezen →

Joods zonder ballast

Lokien de Bie

In Verdriet en boterkoek onderzoekt Margalith Kleijwegt hoe de verschillende generaties in haar familie omgaan met het beladen Joodse verleden.

Netty Rosenfeld, Margalith Kleijwegt en (klein)zoon Kers, 1991

Al jaren koesterde schrijver/journalist Margalith Kleijwegt (1951) de wens te schrijven over de invloed van de Tweede Wereldoorlog op de kinderen die na de bevrijding waren geboren. Die tweede generatie, die, vaak ongewild en onbedoeld, werd opgevoed met de gevolgen van de oorlog. Wat ook weer gevolgen had voor de derde generatie, de kleinkinderen.

‘Ik had al wat verkennende gesprekken gevoerd met een clubje Joodse vrienden, tot ik besefte dat ik om de hete brij heen draaide en het gewoon over mijn eigen geschiedenis moest gaan, mijn eigen Joodse familie,’ vertelt Kleijwegt. Het resultaat is haar boek Verdriet en boterkoek waarin ze haar Joodse opvoeding als volgt samenvat: ‘Aan Joodse feestdagen deden we thuis niet, ik had geen idee wat seideravond of Jom Kipoer betekende. Met Pasen aten we matzes en met Kerstmis werden er kaarsjes in de chanoekia gezet. Deze negenarmige kandelaar die in Joodse gezinnen tijdens Chanoeka, feest van het licht, wordt gebruikt, brandde bij ons op eerste kerstdag. En als we iets braken, een glas of een bord, dan zeiden we als op commando “mazzeltov”, want scherven brachten geluk. Dat was onze Joodse opvoeding. Ik groeide op zonder te weten wat het Jodendom inhield, behalve verdriet en boterkoek. Ik associeerde Joods-zijn met het onderhuidse verdriet van mijn moeder, haar angsten en depressies, maar ook met haar warmte, de onvoorwaardelijke liefde die ze gaf werd gesymboliseerd in een troostende traditie: de heerlijke boterkoek met gembersnippers die ze bakte.’

Onafzienbare catastrofe

Centraal in dit familieverhaal staan de zusjes Esther en Netty Rosenfeld, respectievelijk de tante en de moeder van Margalith. Voor de oorlog, de zussen schelen tien jaar, groeien zij op in Amsterdam-Zuid, in een gegoed cultuurminnend middenklassemilieu, omringd door familie die in de buurt woont. De opvoeding is ouderwets Joods, Esther en Netty gaan naar Joodse les. Familiebanden zijn belangrijk: Netty komt geregeld bij oom David Cohen, de vader van haar neefje Eddie, die bij haar in de klas zit, maar haar lievelingsoom is Martijn Cohen, een andere broer van haar moeder. Hij neemt Netty regelmatig mee uit rijden in zijn Dodge, een imposante auto waar hij graag mee pronkt. Oom Martijn, vertelt Netty haar eigen kinderen later vaak, was zo’n lieve man: ‘Hij was geloof ik de enige die mij niet lastig vond.’ Doordat haar moeder kort na Netty’s geboorte overlijdt, komt de opvoeding neer op een verdrietige, afstandelijke vader en een reeks huishoudsters. Het maakt Netty tot een eigenzinnige jonge vrouw die zich al voor de oorlog probeert los te maken van haar Joods-zijn, in een poging zich vrij te voelen, ongebonden. Als de oorlog begint, gaat zij op in haar werk als kleuterleider op een montessorischool.

Dat ze haar vader niet heeft kunnen redden, zadelt Netty op met een eeuwigdurend schuldgevoel

Het hoofdstukje getiteld ‘Het langzame besef er toch niet bij te horen’ maakt duidelijk hoe de oorlog, ‘die onafzienbare catastrofe’, de familie op gruwelijke wijze tot een paar overlevenden decimeert. Esther, al voor de oorlog getrouwd met Herman Wertheim, heeft het met hun in 1939 geboren zoontje Jaap overleefd, ieder op een apart onderduikadres. Herman wordt verraden en naar Auschwitz gedeporteerd. Ook de Cohens, David, zijn vrouw en broer Martijn, vinden de dood in de gaskamers van Auschwitz.

Huwelijksdiner van Esther Rosenfeld en Herman Wertheim in het Amstel Hotel, 1936. Herman is de derde van rechts, naast hem zit Esther en achter Esther staat Netty

Huwelijksdiner van Esther Rosenfeld en Herman Wertheim in het Amstel Hotel, 1936. Herman is de derde van rechts, naast hem zit Esther en achter Esther staat Netty

Netty was ondergedoken nadat ze als leerling-verpleegster in het Centraal Israëlisch Ziekenhuis machteloos had moeten toezien hoe de Joodse kinderen en patiënten die zij verzorgde werden weggevoerd. Vader Rosenfeld weigerde in onderduik te gaan en werd na een mislukte hulpactie naar Sobibor afgevoerd. Dat ze haar vader niet heeft kunnen redden veroorzaakt een immens groot verdriet in Netty’s leven en zadelt haar op met een eeuwigdurend schuldgevoel.

Levenslange worsteling

Na de bevrijding neemt ze zich voor afstand te nemen van de oorlog (‘niet zeuren, maar hard werken’) en start vol energie een carrière in de media. Van omroeper bij Radio Herrijzend Nederland, met een tussendoor een overstap naar de Avro en de Vara, groeit ze uit tot radiocoryfee: Netty Rosenfeld heeft ‘de mooiste radiostem van Nederland’. Ze trouwt met radio-collega en latere VPRO-directeur Arie Kleijwegt met wie ze twee kinderen krijgt: dochter Margalith en zoon Martijn (vernoemd naar de lievelingsoom uit haar jeugd). Echt haar draai vindt Netty in de jaren zestig als televisiemaker bij de VPRO, waar zij zich ontwikkelt tot documentairemaker met een persoonlijke en geëngageerde stijl: sociaal bewogen, haar werk wordt gedomineerd door ‘recht en onrecht’. Daarbij negeert ze de oorlog en haar eigen achtergrond, maar na het maken van een documentaire over schrijver en Auschwitz-overlever Primo Levi lukt haar dit niet meer. Kort voor haar dood gaat ze in haar laatste documentaire, Zonder rabbinaal toezicht, op zoek naar wat Joods-zijn voor haar betekende.

Het besef dat hun familie groot onrecht was aangedaan is er, maar door het verstrijken van de tijd zijn schaamte en pijn verdwenen

Al probeert Netty het nog zo hard, oorlogstrauma’s en onverwerkt verdriet laten zich niet wegstoppen. Jarenlange psychiatrische therapie biedt ondersteuning, maar het is een levenslange worsteling, ook met het Jodendom, waar ze vanaf wilde, maar toch ook weer niet. ‘Mijn moeder ontkende niet dat ze Joods was, maar ze wuifde het weg, ze beweerde dat het niet belangrijk was. Ze was Joods door de oorlog, de Duitsers hadden haar dat stempel gegeven.’

Die tweeslachtigheid is voor haar kinderen ‘soms gekmakend’. Joods-zijn zorgde op die manier voor een groot gevoel van ongemak. Terwijl haar broer zich afzet en zijn Joodse achtergrond in eerste instantie ontkent, identificeert Margalith zich met het tragische familieverleden. ‘Inmiddels geef ik toe dat ik wel degelijk bij die tweede generatie hoor, ik had last van die lieve, maar getraumatiseerde moeder, ik verloor me in dat donkere verleden waarvan de zwaarte me bedrukte, ik werd bepaald door haar wantrouwen, haar vrees voor antisemitisme, en nam die sensitiviteit ook over.’

Onbekommerd animo

Als in 1991 zoon Kers, Netty’s eerste kleinkind, wordt geboren, is de soms gespannen verhouding tussen moeder en dochter voorbij: ‘Wat was ze blij met het nieuwe leven, de lijn die eindelijk werd doorgezet.’ Met haar zoon probeert Margalith zich als het om de oorlog gaat meer in te houden dan haar moeder. Belangrijk is wél de familiegeschiedenis te vertellen en hem bij te brengen waar onverdraagzaamheid toe kan leiden. Tot haar verrassing vindt hij de verhalen over zijn familie boeiend en dat Joods-zijn zelfs wel tof. Als achtjarig jongetje zat hij ’s morgens vroeg al te popelen om zijn keppeltje op te mogen doen voor de viering van seideravond bij vrienden van de familie. Kleijwegt: ‘Zo’n blijmoedige associatie met het Jodendom was totaal nieuw voor me, zijn onbekommerde animo ontroerde me.’

Netty Rosenfeld en Arie Kleijwegt bij de Avro-studio, jaren vijftig

Netty Rosenfeld en Arie Kleijwegt bij de Avro-studio, jaren vijftig

Bij de drie kinderen van Martijn en de acht kleinkinderen van Jaap, die in het boek bijna allemaal aan het woord komen, is er tot Margaliths verbazing serieuze interesse in wat Joods-zijn betekent (‘toen ik hoorde dat Bobje naar Joodse les ging viel ik van mijn stoel!’) en lijkt het drukkende en negatieve gevoel dat de tweede generatie nog bekroop, verdwenen. Het besef dat hun familie door die oorlog groot onrecht was aangedaan is er, maar door het verstrijken van de tijd zijn de schaamte en de pijn verdwenen. De derde generatie gaat lichtvoetiger om met het verleden van hun grootouders.

Kleijwegt schrijft: ‘Voor deze nieuwe generatie leek het verleden van hun grootouders eerder fascinerend en zelfs wel spannend. Die oudjes, hun grootouders, hadden toch maar deel uitgemaakt van de belangrijkste gebeurtenis in de recente geschiedenis. “Die shit van jullie,” zeiden Kers en Ben, de zoon van Mirjam, onafhankelijk van elkaar als ze het over het oorlogsverleden van hun familie hadden. Vooral dat “jullie” liet zien hoe ver die periode inmiddels van ze afstond. De ballast was weg.’

Margalith Kleijwegt
Verdriet en boterkoek. Hoe de oorlog is verdwenen

uitgeverij Atlas Contact

Cadeautje!

Je leest dit artikel gratis. Wil je meer van de VPRO Gids? Neem een abonnement. Nu 12 weken voor slechts 10 euro. Ik wil meer lezen →

Het recept voor boterkoek

Boterkoek

  • 250 gram bloem
  • 200 gram suiker
  • Ruim 200 gram roomboter 1 pakje vanillesuiker Snufje zout

Het geheim van een goede boterkoek, zeiden mijn moeder en tante Esther, is voldoende boter gebruiken en het kneden. 'Er moet goed gerold en geslagen worden. Het moet een smeuïge bal zijn, die, als je erop slaat, niet meer splijt.’

Het bakblik met boter insmeren, het deeg erop doen en gelijk over de oppervlakte verdelen. Het theelepeltje melk over het deeg uitstrijken.

In een voorverwarmde matig warme oven in vijfentwintig à dertig minuten gaar laten worden. Maar niet té gaar anders is hij de volgende dag hard.

Uit Beccy de Vries en Esther Wertheim, Wel moge het u bekomen. Recepten van de misjpoge, 1974

Oma Cohens chocoladekoek (variatie op boterkoek)

  • 300 gram bloem
  • 200 gram roomboter 200 gram suiker
  • 1 pakje vanillesuiker 1ei
  • 1 eetlepel cacao Snufje zout

Alles goed door elkaar kneden tot het deeg soepel is. De vorm met boter insmeren - neem daar lekker extra boter voor - het deeg in de vorm doen en de bovenkant met koude melk bestrijken.

Vijfentwintig minuten in een matige over bakken. ‘Je nasjt er je vingers bij op,’ zei mijn tante Esther.