dit artikel krijg je cadeau

Smaakt dit naar meer? Neem een abonnement op de digitale VPRO Gids.
6 maanden voor € 17,50

Wielergeschiedschrijver

Maarten van Bracht

Zijn liefde voor de wielersport belijdt Benjo Maso opnieuw met een overzichtswerk: de geschiedenis van het Nederlandse wielrennen tussen 1961 en 1985. Maar: ‘Ik ben socioloog, dat komt in de eerste plaats.’

Het terras van het voormalige NS-station in Abcoude, waar langs de Gein voortdurend wielrenners voorbijzoeven, is het juiste decor voor een gesprek met Benjo Maso, die natuurlijk per fiets is gearriveerd. De 74-jarige socioloog en schrijver heeft blijkens zijn loopbaan een betrekkelijk ongewoon parcours afgelegd, om in wielertermen te blijven. Hij begon als literair vertaler, studeerde sociologie, publiceerde als onderzoeker in Wageningen een studie over de Nederlandse melkveehouderij, en promoveerde in 2010 alsnog op Het ontstaan van de hoofse liefde.
'Een boek over de geschiedenis van het Nederlandse wielrennen is monnikenwerk'
Benjo Maso
Bekend werd hij met zijn boeken over wielrennen, waaronder Het zweet der goden (1990, 2018) en Wij waren allemaal goden (2003), beide over de Tour de France, en Nederland heeft de gele trui. Over wielrennen in de Lage Landen (2015). Onlangs verscheen het vervolg Nederland heeft weer de gele trui, over hoe Nederland als wielernatie vanaf 1960 een comeback maakte met de komst van Nederlandse profploegen. Met de oprichting van de Raleigh-ploeg (1974-1983) volgden hoogtijjaren, met renners als Joop Zoetemelk, Gerrie Knetemann, Jan Raas en Hennie Kuiper.
Waar komt uw wielerliefde vandaan?
Benjo Maso: ‘Van mijn vader. Thuis in Den Haag volgden mijn broer en ik als jongens de Tour op de radio en mochten hem op z’n werk alleen bellen als een Nederlander iets bijzonders had gepresteerd. Maar het begon al toen hij een keer bij het nieuws juichend uitriep: “Nederland heeft de gele trui.” Ik was toen zes en had geen idee wat hij bedoelde, maar het is de titel van m’n boek geworden, een kleine hommage aan m’n vader.
Oorspronkelijk was het plan om maar één boek over het Nederlandse wielrennen te schrijven, nogal onder druk van uitgever Emile Brugman, een groot wielerfan. Maar ik stelde dat steeds weer uit en gaf voorrang aan een boek over de Giro [Van Milaan naar Amsterdam, red.] waar ik eigenlijk behoorlijk trots op was, maar dat in geen enkele krant besproken is. Het hoofdthema ervan was hoe politiek, sport en nationalisme met elkaar samenhingen. Zo wilden de organisatoren van de Giro in de begintijd per se naar steden als Nice, Lugano of het toen nog Oostenrijkse Trento en Triëst, en onder Mussolini elk jaar naar Lugano, Zwitserland.
Daarmee wilden zij duidelijk maken dat deze steden Italiaans waren, delen van Italia irredenta. Maar goed, op een gegeven moment ben ik toch met Nederland heeft de gele trui begonnen. Na ruim een jaar had ik al 150.000 woorden en ik was pas halverwege. Het leek het beste om er maar twee delen van te maken. Maar voor het vervolg zat ik al snel op 125.000 woorden, dus om het af te maken is een derde deel nodig.'
Komt dat derde boek er ook nog? Het lijkt me heel veel werk.
‘Dat weet ik nog niet. Ik was in de afgelopen jaren ook met een boek over opera begonnen en dat wil ik ook een keer afmaken. Een boek over de geschiedenis van het Nederlandse wielrennen is inderdaad monnikenwerk; heel veel lezen, uitzoeken. Naast alle wielerliteratuur heb ik dankzij de Koninklijke Bibliotheek een grote hoeveelheid oude jaargangen kranten doorgenomen, en op internet onder meer de Corriere della Sera, La Stampa, El Mundo Deportivo. De Gazzetta della Sport is daar niet te vinden, helaas. Maar ik ben naar de Biblioteca Sportiva Nazionale bij Rome geweest, en voor L’Equipe naar Parijs. Mijn Frans is goed, Italiaans redelijk, Spaans is matig maar ik kom er wel uit. De buitenlandse sportkranten zijn van belang omdat je daarin soms andere versies van bepaalde gebeurtenissen aantreft dan in Nederlandse kranten en boeken. Van elke Touretappe heb ik vier, vijf verslagen in het Nederlands gelezen, dus al snel zo’n honderd verslagen, en als het interessant, spannend of controversieel was ook de buitenlandse verslagen. Neem de wijze waarop Jan Raas in 1979 het WK won en de negatieve reacties daarop in Italië. Dan worden buitenlandse bronnen belangrijk. Over Nederlandse wielrenners was de buitenlandse pers vaak erg negatief.’
Waarom schreef u Nederland heeft weer de gele trui strikt chronologisch, per wielerjaar?
‘Dat was eerst niet de opzet, maar bleek toch beter voor de continuïteit. Springen in de tijd zou te verwarrend worden. Ook in mijn herinnering aan het tijdvak 1961-1985 zijn de jaren door elkaar gaan lopen, en daar wilde ik ordening in aanbrengen.’
Vooral oudere lezers zullen hun herinneringen aan die wielerjaren bij het lezen van al die verslagen, uitslagen, namen van renners, ploegleiders en sponsors weer in het juiste perspectief zien geplaatst. Bij Maso geen effectbejag, mythevorming of Hollands glorie, maar nauwkeurige wielergeschiedschrijving waarin steeds onze cultuurgeschiedenis en de maatschappelijke context doorschemeren. Met die historische en sociologische blik onderscheidt hij zich van de meeste wielersportauteurs.
Uit uw boek blijkt dat het profwielrennen in Nederland, met al die opeenvolgende wielerploegen, een aaneenschakeling van amateurisme, kinnesinne, intriges en incompetentie is geweest. Typisch voor Nederland of is het inherent aan de sport?
‘Allebei, maar bedenk ook dat wielrennen in Nederland geen topsport was zoals in België, Frankrijk en Italië. Nederland liep samen met Spanje aanvankelijk achterop. Maar wielerunie KNWU ging wel erg amateuristisch te werk. Voor het jaar 1977 heb ik een lijstje gemaakt met hun bloopers. Zo waren ze voor het kampioenschap voor Derny’s vergeten een baan aan te vragen, zonden twee leken naar Venezuela om het parcours van het wereldkampioenschap te verkennen – wat ze vanuit de auto deden – met het onvermijdelijke gevolg dat de renners volkomen verkeerd ingelicht werden, beweerden dat speciale aerodynamische pakken voor baanrenners verboden waren, zodat de Nederlanders volmaakt kansloos waren, enzovoort, enzovoort. Het probleem was dat de bestuursleden zich alleen in hun vrije tijd met hun functie bezighielden en bovendien zelden iets van wielrennen wisten. KNWU-voorzitter Van Ballegoijen de Jong had zoals de naam al doet vermoeden zelf geen wielerverleden. Hij was internationaal hockeyscheidsrechter. Sociale klasse speelde zeker een rol. Kennelijk vond men dat een zo verantwoordelijke positie als sportbestuurder alleen aan een vertegenwoordiger van de hogere klasse kon worden toevertrouwd. Het sprak vanzelf dat de baas van de hockeybond een oud-hockeyer was, maar niemand zou op het idee zijn gekomen een ex-wielrenner baas van de wielerunie te maken.’
'Als je je met negentiende-eeuwse kunst bezighoudt, scoor je meer dan met wielrennen. Een volkomen verkeerde instelling.'
Benjo Maso
U bent zelf doctor maar schrijft over wielrennen, dat een dubieus imago heeft.
‘Ik ben socioloog, dat staat op de eerste plaats. Het mooie daarvan is dat voor sociologisch onderzoek in principe alles even interessant kan zijn, of het nu troubadours uit de twaalfde eeuw of wielrenners van deze tijd zijn, ook al bestaat er toch iets als een hiërarchie van onderwerpen. Door je met negentiende-eeuwse kunst bezig te houden, krijg je eerder aanzien dan met wielrennen. Een volkomen verkeerde instelling; het enige waar het om gaat is of het tot meer inzicht leidt. De Duitse socioloog Peter Gleichmann schreef prachtige stukken over poepen. Stedelingen verkochten aanvankelijk hun poep, maar toen riolen werden aangelegd moesten ze opeens gaan betalen. Een kleine revolutie, zeer interessant, maar er werden heel wat negatieve of spottende opmerkingen over gemaakt. Ja, je kunt zeggen dat ik in Nederland als eerste de sociologie in de wielersport heb gebracht. Het had natuurlijk al veel eerder moeten gebeuren.’
Chevrolet en anderen schrijven dat wielrennen zich goeddeels aan waarneming onttrekt. Je ziet de renners wel, maar wat er precies gebeurt en waarom ontgaat je. Is dat niet storend?
‘Integendeel. Je ontdekt iets op een bepaald niveau, en daar blijkt dan weer een andere laag onder schuil te gaan en daarna nog een. Die gelaagdheid maakt het juist interessant. Mooi voorbeeld is de sprint tussen Knetemann en Moser op het WK in 1978. Wat gezien kon worden, was dat Knetemann won. Eerste laag: er werd betaald. Daaronder: Knetemann zou z’n woord hebben gebroken, een conclusie die werd bereikt omdat verschillende renners kwaad werden. Maar in de volgende laag blijkt dat ze niet kwaad waren omdat Knetemann zich niet aan zijn belofte had gehouden, maar omdat ze met Moser in de slag zaten en nu geen cent kregen. Daarom moest juist Knetemann geld betalen aan de anderen, anders zouden ze zich tegen hem hebben gekeerd. Zo is het bevredigend om de waarheid, ook al is het maar gedeeltelijk, te achterhalen. Als het allemaal direct inzichtelijk en duidelijk was, zou het heel wat minder interessant zijn. Ik wil overigens zeker niet beweren dat ik het allemaal door heb. Wat ik weet is hoogstens een klein stukje van het geheel. Dat merk je wel als je er met een echte wielrenner over praat.’
Na afloop van het onderhoud meldt Maso dat hij die middag nog op de racefiets zal stappen. Hij heeft Ter Aar in gedachten, en terug langs de Amstel, dat maakt algauw een dikke vijftig kilometer.

Rebellenclub Televizier

Kees Pellenaars

Andere tijden sport-aflevering ‘Televizier: Rebellenclub op wielen’ gaat over de eerste Nederlandse professionele wielerploeg van de jaren zestig. Begin 1964 is het Nederlandse profwielrennen op sterven na dood. In de laatste Tour de France waren slechts vier Nederlandse renners gestart, bovendien in buitenlandse dienst. Het wil maar niet lukken om in Nederland een sponsorploeg van de grond te tillen, totdat Kees Pellenaars vlak voor de Tour van 1964 – de topcoureurs hadden elders al onderdak gevonden – een geldschieter vond: omroepblad Televizier.
De onervaren Brabantse amateurs met wie ploegleider Pellenaars naar Frankrijk afreist, vormen een rebellenclub die aast op ritwinst (Nijdam, zesde etappe) en aardig wat geld en publiciteit binnenharkt. Cees Haast is verrassend genoeg een goede klimmer, die in de Tour van 1965 Gimondi, Poulidor en Motta het nakijken geeft en als eerste Nederlander op het eindpodium afstevent.
De 106de editie van de Tour de France wordt van 6 t/m 28 juli verreden

Benjo Maso: Nederland heeft weer de gele trui. Geschiedenis van het Nederlandse wielrennen 1961-1985 (AtlasContact)
terug naar de gids