Charlie Chaplins oorlogssatire The Great Dictator heeft ruim tachtig jaar na verschijning niets aan relevantie ingeboet.

cadeautje

Je leest dit artikel uit de VPRO Gids gratis op VPRO Cinema. Wil je meer lezen over oa documentaires, podcasts en boeken? Neem dan een digitaal abonnement.

Het is nog steeds een van de meest gedurfde projecten in de filmgeschiedenis: Charlie Chaplins The Great Dictator (1940). Het was de film waarin Chaplin, icoon van de stille film, voor het eerst sprak, maar natuurlijk vooral de film waarin hij Adolf Hitler aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog op nietsontziende wijze te kakken zette.

De film zorgde meteen voor politieke onrust. De Verenigde Staten waren in 1940 immers nog neutraal, en dus sprak de toenmalige regering van ‘een aanval op een bevriend staatshoofd’. Groot-Brittannië dacht tijdens de productie zelfs na over censuur, omdat ze erg bezorgd waren over een ‘anti-Hitler-film’.

De landen hadden duidelijk nog niet in de gaten hoe groot het monster in hun nabijheid precies was. Chaplin doorzag de gevaren wél, en portretteert in zijn film zowel de akelige dictator Hynkel, als een naamloze Joodse barbier. Die klunzige barbier (een klassiek Chaplin-personage) heeft twintig jaar in coma gelegen, en geen idee dat de Joden in zijn thuisland inmiddels tot vijand van de samenleving zijn verklaard. Chaplin zet Hynkel ondertussen neer als een eenzame gek, gedreven door haat en paranoia.

Beeld uit de film The Great Dictator

Die combinatie van Hynkels haat en Chaplins natuurlijke slapstick resulteert in een perfecte evenwichtsoefening tussen pure horror én geestige komedie. Chaplin gebruikt humor als zijn ultieme wapen: door Hynkel belachelijk te maken, stelde hij de wereld in staat om dictators recht in het gezicht uit te lachen. Maar het lachen zou de wereld in de jaren die volgden snel vergaan. Chaplin schreef later in zijn autobiografie dat hij de film met de kennis van vijf jaar oorlog nooit had willen maken. ‘Als ik van de gruwelijkheden van de Duitse concentratiekampen had geweten, had ik de moordzuchtige gestoordheid van de nazi’s nooit op de hak kunnen nemen.’

Laten we blij zijn dat Chaplin het toch deed, want de film staat tachtig jaar later nog altijd als een huis. Wat daarbij vooral beklijft, is Chaplins pleidooi voor vrede en menselijkheid. Dat uit zich natuurlijk vooral in het onbetwiste hoogtepunt van de film: de slotspeech waarin de – per abuis met Hynkel verwisselde – barbier plots de troepen moet toespreken. In plaats van Hynkels haat en opruiing, kiest hij voor een boodschap van hoop en verbinding. Het is nog altijd de beste toespraak in de filmgeschiedenis, die tachtig jaar later nog even relevant is.

Charlie Chaplin gebruikte eindelijk de kracht van het woord. En hoe.