Anton de Bies speelt in De droevige kampioen tafeltennislegende Robert Hosé. Volgens De Bies wil iedereen op Curaçao dat je dokter wordt, maar van kleins af aan had hij al heel wat anders voor ogen. ‘Als acteur kan ik jouw ziel genezen.’

cadeautje

Je leest dit artikel uit de VPRO Gids gratis op VPRO Cinema. Wil je meer lezen over oa documentaires, podcasts en boeken? Neem dan een digitaal abonnement.

Veel mensen die in Nederland in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw een beetje geïnteresseerd waren in sport, zullen zich tafeltennisser Bettine Vriesekoop herinneren. Er werd toen wel veel gepingpongd in Nederland, op de camping of in de schuur, maar Vriesekoop liet zien dat tafeltennis een echte sport is. En dat je met veel toewijding en training kampioen kon worden. Ze won vijf Europese titels en werd in 1988 zevende op de Olympische Spelen.

Veel mensen die op Curaçao in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw een beetje geïnteresseerd waren in sport zullen zich tafeltennisser Robert Hosé herinneren. Ook Hosé liet zien dat je door veel te trainen kampioen kon worden. Hij heerste jarenlang op Curaçao, werd kampioen van Latijns-Amerika en werd zelfs uitgenodigd voor een prestigieus toernooi in China.

Nagespeelde scènes geven tafeltennisheld Robert Hosé een gezicht – en dat is nodig ook, want van zijn hoogtijdagen is zo goed als geen beeld bewaard gebleven

Anton de Bies als Robert Hosé in De droevige kampioen

Maar na jaren aan de top ging het voor Hosé snel bergafwaarts. Hij raakte verslaafd aan base (gekookte cocaïne) en leeft nu al tientallen jaren op straat. In 2006 schreef Jan Brokken een boek over hem: De droevige kampioen. Daarin verweefde Brokken de dramatische persoonlijke geschiedenis van Robert Hosé – die hij in zijn boek Riki Marchena noemde – met belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van Curaçao.

Diezelfde lijn wordt gevolgd in de driedelige VPRO-docuserie De droevige kampioen van Sander Burger, vanaf 19 maart te zien op NPO 2. De verhalen van Brokken, die zelf ook aan het woord komt in de serie, en de interviews met veel vrienden en betrokkenen uit die tijd, worden regelmatig nagespeeld om de gesproken woorden kracht bij te zetten.

Zo’n mix van genres kan heel slecht uitpakken wanneer het naspelen amateuristisch of simplistisch gebeurt, maar Burger is een goede regisseur – zijn nieuwe speelfilm De veroordeling zal (hopelijk) binnenkort in de bioscopen te zien zijn – en de nagespeelde scènes geven Hosé een gezicht en een persoonlijkheid. Dat is nodig ook, want van Hosés hoogtijdagen is zo goed als geen bewegend beeld bewaard gebleven.

Robert Hosé in De droevige kampioen

Omdat die nagespeelde scènes een belangrijke aandeel hebben in de serie, was het essentieel dat de juiste acteur gevonden werd. En dat was Anton de Bies. De Bies (1991) is geboren en getogen op Curaçao, maar stapte in 2010 als achttienjarige op het vliegtuig naar Nederland om acteur te worden – waar hij via toneelgroep De Nieuw Amsterdam, de theater-mbo in Rotterdam en uiteindelijk de Toneelacademie in Maastricht in slaagde.

‘Robert Hosé was populair, een mooie man, gedisciplineerd. En toch koos hij voor de drugs en de straat’

Anton de Bies

Aan de telefoon, vanuit zijn woonplaats Maastricht, legt hij uit waarom hij per se wilde acteren. ‘Mijn ouders waren niet erg blij met die keuze, dat kan ik je wel vertellen. Acteur worden is geen voor de hand liggende keuze op Curaçao. Daar worden jongens honkballer of profvoetballer. Acteur worden is nog een beetje taboe. Ouders snappen niet dat je daarvan kan leven. Ze zien acteren vaak nog als een hobby. Maar ik wist dat het zou kunnen lukken in Nederland, en het is me gelukt.’

En waarom acteur en geen honkballer of voetballer?
De Bies: ‘Toen ik klein was wilde ik inderdaad profvoetballer worden. Maar toen ik een jaar of twaalf was en nog steeds niet was uitgenodigd voor allerlei selecties, begreep ik dat dat niet zou gaan lukken. Op mijn zestiende kwam ik met theater in aanraking. Ik begon als stand-upcomedian en toerde daarmee ook door Nederland. Ik stond in theater Kraak in Tilburg, het Bijlmerparktheater in Amsterdam, Zuidplein in Rotterdam... Ik herinner me die avond in Zuidplein nog goed. Ik deed een show van een halfuur en na mij kwamen de twee vedetten voor wie iedereen naar de zaal gekomen was. En het zat helemaal vol, zeshonderd man. Toen ik zag hoe het publiek naar die comedians keek, wist ik dat dat mijn toekomst was. Niet per se als komiek, maar ik wist wel zeker dat ik wilde gaan acteren. Will Smith was toen mijn idool en die had laten zien dat je kon beginnen als comedian en daarna ook serieuze rollen kon gaan spelen. Ik dacht, die stap kan ik ook maken. En daarom kwam ik in 2010 naar Nederland.’

Was het zoals u had verwacht?
‘Het was compleet anders! Op Curaçao zat ik op de enige middelbare school waar ze alleen in het Papiaments lesgaven. Thuis en met mijn vrienden sprak ik ook alleen Papiaments. Dus toen ik in Nederland kwam, kon ik nauwelijks Nederlands spreken. Het enige wat ik nog wist was het kleine beetje dat ik op de lagere school had geleerd. Laatst had ik het nog met familie over die begintijd en ik vertelde ze hoe eenzaam ik toen was: ik huilde iedere avond. Ik zat als jochie van achttien tussen drie culturen. De cultuur van Curaçao, die ik had meegenomen, die van Nederland, dus: snel-snel-snel en altijd maar presteren, die ik nog moest aanleren en dan nog de cultuur van het theater. Nee, het was niet makkelijk. En als je de taal niet goed begrijpt, is het moeilijk om de teksten goed voor te dragen, eigenlijk was het onmogelijk. Dat zeiden sommige docenten toen ook, dat ik beter een andere opleiding kon doen. Iets met mijn handen.’

Waarom heeft u toch volgehouden?
‘Ik had gezien dat ik mensen raakte en ze aan het denken zette. Dat mensen na een voorstelling op me afkwamen en zeiden dat ze moesten denken aan hun vader, hun oma of aan zichzelf. Dat ik iets raakte in hun ziel. Op Curaçao wil iedereen dat je dokter wordt, maar ik had iets beters gevonden. Dokters kunnen je lichaam genezen, maar als acteur kan ik jouw ziel genezen. Omdat je je begrepen voelt.’

Anton de Bies

Komt u nog weleens op Curaçao?
‘Zeker. Ik bezoek familie, maar ik ga ook om iets terug te geven. Ik geef al vier jaar acteerles aan jongeren daar. Zo kan ik overbrengen wat ik geleerd heb in Nederland, zodat we allemaal samen kunnen groeien.’

Ik vroeg het ook omdat ik benieuwd was of u Robert Hosé weleens op straat bent tegengekomen.
‘Ik heb hem in m’n jeugd wel een paar keer gezien in Saliña, waar hij leeft. Maar ik heb nooit geweten dat hij zo’n groot man is geweest en zoveel heeft betekend voor ons eiland. Toen ik aan mijn opa vertelde dat ik hem ging spelen, zei hij dat hij me vroeger vaak over Hosé verteld had. Maar als jongen onthoud je zoiets niet. Voor mij was die man die ik in Saliña zag gewoon een choller [zwerver, red.]. Je hebt chollers die zich aan je opdringen, maar hij valt niemand lastig. Hij bemoeit zich niet met andere mensen, vandaar dat ik hem vergeten was. Totdat ik hem ging spelen.’

Hoe kwam u bij de serie terecht?
‘Ik werd gevraagd door regisseur Sander Burger. We kenden elkaar nog van de korte film Mi kulpa uit 2013, die ook op Curaçao is opgenomen. Hij was toen opnameleider en we werden vrienden. Sander zei tegen me dat hij niemand anders in gedachten had voor de rol van Robert/Riki en gaf me min of meer de opdracht hem te spelen. Ik accepteerde, vooral omdat hij het aan me vroeg. Want Sander is vaker op Curaçao geweest en is een halve Curaçaoënaar. Hij heeft altijd een open en liefdevolle kijk op ons land gehad, en dat was heel belangrijk voor me.’

‘Na anderhalf uur rommelen met pruiken zag ik: dit is hem! Ik had maanden geoefend op het tafeltennissen, maar toen wist ik hoe zijn stem en blik moesten worden’

Anton de Bies

Heeft u voor de opnamen nog met Robert Hosé gesproken?
‘Niet daarvoor, wel daarna. Ik wilde vooraf ook niet met hem praten. Om te beginnen omdat hij nu veel ouder is dan wanneer ik hem in de serie speel. Bovendien is hij nu al bijna veertig jaar verslaafd en ik wist niet in wat voor toestand hij zich zou bevinden. Door vooraf niet met hem te praten kon ik onbevangen naar de man kijken over wie ik zoveel gelezen had.’

Wanneer klikte het tussen u en Riki, zoals Robert wordt genoemd in de nagespeelde scènes?
‘Dat was bij de make-uptest, toen we allemaal verschillende pruiken probeerden. Na anderhalf uur rommelen stond ik op, keek in de spiegel en wist ik meteen: dit is hem! Robert wankelt een beetje vanwege een chronische achillespeesblessure, en ik wist precies hoe ik dat loopje ging doen. Daarvoor had ik ook al maanden geoefend op het tafeltennissen, maar pas toen ik mezelf in de spiegel zag wist ik hoe zijn stem en blik moesten worden.’

Dat van de stem als ingang in een personage hoor ik vaak van acteurs. Waarom is die stem zo belangrijk?
‘Wanneer je praat, maak je trillingen. En die trillingen komen uit je ziel. Via de stem kom je dus het dichtst bij je ziel. Ik weet niet of je Daniel Day-Lewis kent, maar die zei ooit: “De stem is de ziel van het personage.” Het is geen lichaamsdeel dat je kan aansturen, je stem komt diep van binnen. En die trilling gaat door merg en been. Voor de stem van Riki heb ik voor de stem van mijn vader gekozen, omdat ik mijn vader zie als iemand van de jaren zeventig en tachtig.’

Weet hij dat?
‘Mijn papa? Nee, dat weet-ie niet, maar als jij dat gaat opschrijven, dan weet hij het wel! Haha.’

Tafeltennis is een lastig spelletje. Ik zie dat u in de serie af en toe geholpen wordt door de computertechniek...
‘Ja, ja. De bewegingen heb ik geleerd van Yana Timina, een topspeler uit Nederland. Zij zei meteen: je gaat nooit in een paar maanden een topspeler worden, maar ik kan je wel bewegingen aanleren waardoor je eruitziet als een topspeler. En dat was prima, want als acteur weet ik hoe het is om iets na te doen. Toen Robert later zag hoe ik in de serie tafeltennis, riep hij meteen: “Ja, zo moet het! Je doet het goed.” Een beter compliment had ik niet kunnen krijgen.’

Bent u door de serie veranderd?
‘Jazeker. Ik heb nu iemand gespeeld met een drugsverslaving en heb daarom veel onderzoek gedaan naar de wereld van de chollers. En ik kan je zeggen dat zo’n tachtig procent van de verslaafden slimme mensen zijn, met een hoog IQ. Topsporters zoals Robert Hosé, doctorandussen, enzovoort. Chollers zijn zelden in armoede geboren. De meesten hebben veel gezien en meegemaakt. En daar schrok ik wel van, want er hoeft dus maar iets te gebeuren en het gaat mis. Robert Hosé was populair, een mooie man, werkte hard en was gedisciplineerd. Hij had in de jaren tachtig waarschijnlijk meer dan jij en ik bij elkaar. En toch koos hij voor de drugs en de straat. 

Ik had laatst een discussie met iemand op Facebook die had geschreven dat hij een choller in een vuilnisbak zag scharrelen en hem een stuk van zijn brood wilde geven. Die choller zei toen dat hij geen brood nodig had, maar geld. Waarop de schrijver van het bericht boos werd en zei: “Kom op jongen! Ik geef je brood, neem dit brood!” Ik stuurde hem een voiceberichtje waarin ik zei: “Hé joh, ik heb dit onderzocht en die man heeft het recht om jou om geld te vragen. Want hij is een mens. En een mens heeft recht op wat hij vindt dat hij nodig heeft. Niet op wat wij vinden dat hij moet willen en voelen.” Dat zie je ook in de serie, dat Roberts vrienden van vroeger hem op alle mogelijke manieren willen helpen. Met een dak boven zijn hoofd, een auto, eten, alles. Maar dat is niet wat Robert Hosé wil. Die wil zijn base en de straat. En al vinden wij dat misschien niet de juiste keuze, we moeten daar wel respect voor hebben. Alleen als je iemand accepteert, kan je hem echt helpen. Want al houd je nog zo veel van iemand – als je hem iets gaat opdringen, zal hij niet luisteren. Snap je? Dat heb ik echt van deze serie geleerd. En dat vind ik zo mooi aan dit vak: dat je je echt verdiept in dingen. Zo kijk ik naar alles om me heen. Wat ook weleens vermoeiend kan zijn. Mijn vrouw zegt dat ook regelmatig: of we het niet over iets kunnen hebben zónder gelijk de diepte in te gaan. Je weet wel, wijntje erbij en zo. Maar dan begin ik alweer... Hahaha.’

De droevige kampioen is vanaf vrijdag 19 maart (22.15-23.15 uur) wekelijks te zien op NPO 2