VPRO Gids 4

28 januari t/m 3 februari
Pagina 42 - ‘Als het beestje maar een naam heeft’

Als het beestje maar een naam heeft

Martin Kaaij ,

Gustav Mahler noemde zijn ‘Eerste symfonie’ ook wel ‘Titan’ Naar de gelijknamige roman van Jean Paul uit 1803, maar dat is overbodige informatie.

‘De droeve ellendigheden van de Oorloogh’ door Jacques Callot, ca 1680

In titels van symfonieën zit vaak overbodige informatie. Die kan misleidend, onbegrijpelijk, half waar, fout, verwarrend of achterhaald zijn. Of van alles een beetje. Het is niet kwaadaardig bedoeld, en soms helpt het om in een oogopslag de compositie te identificeren. 

Vanmiddag klinkt in de ZaterdagMatinee de Eerste symfonie ‘Titan’ van Gustav Mahler. Bij de ZaterdagMatinee doen ze het niet, maar vaak staat er nog bij dat de symfonie ‘in D’ is. In D-groot en D grote terts komt ook voor. Chique mensen schrijven D majeur en bij jeugdorkesten zie je tegenwoordig D Major, want voor jonge mensen is Engels de lingua franca.

‘In D’ slaat op een toonsoort, ‘Titan’ is de bijnaam van Mahlers symfonie. Wat is er overbodig aan? De bijnaam ‘Titan’ klopt maar half, al is ze van Mahler. Bij de tweede en derde uitvoering noemde hij de symfonie zo. Daarna schrapte hij dat weer omdat het de luisteraar op verkeerde gedachten kon brengen. De verkeerde gedachten die Mahler vreesde heeft u vermoedelijk ook, behalve als u weet hoe het zit. Want Titan heeft niks met een titanenstrijd of maan van Saturnus te maken, maar is de hoofdpersoon uit de gelijknamige roman van Jean Paul uit 1803. Die leest bijna niemand meer, en dat was kennelijk ook al zo toen Mahler de symfonie in 1888 voltooide.

En wat moeten we ons bij ‘in D grote terts’ voorstellen? Het betekent niet meer of minder dan dat in deze muziek de do uit do re mi de toonhoogte D heeft. Op een notenbalk horen daar twee kruizen bij. Maar op de Engelstalige Wikipedia kun je in een handomdraai zien dat niet de hele symfonie in D staat. Bij zeven van de veertien muziekvoorbeelden staat iets anders dan twee kruizen. Die liedjes staan dus niet in D, maar in een andere toonsoort. Dat haalt je de koekoek, zal een kenner misschien zeggen, het tweede deel staat in A-groot, het derde in d-klein en het vierde begint in f-klein en eindigt in D-groot – zo gaat dat nu eenmaal bij symfonieën. Je kunt ook zeggen dat het precies daarom een verwarrende gewoonte is om te schrijven dat een symfonie in D-groot staat.

In het derde deel klinkt trouwens een bekend liedje. Na acht gedragen paukenslagen citeert Mahler ‘Vader Jacob’. De pauken waren dus al begonnen met het klokgelui uit het liedje: bim bam bim bam. Maar dat heeft de luisteraar pas achteraf door, behalve als hij de muziek al vaker heeft gehoord. Dan is het ook geen verrassing meer dat Mahler een slepend ritme toevoegde en de toonsoort van groot naar klein veranderde. De ingrepen toveren een onschuldig kinderliedje om tot onheilspellende muziek.

Ooit omschreef Mahler het derde deel als ‘een dodenmars in de stijl van Callot’. Misschien is dit overbodige informatie, maar Callot was een zeventiende-eeuwse Franse graveur die nogal goed was in het uitbeelden van oorlogsgruwels. Zijn voornaam was Jacques.