Als het om films gaat staan de jaren tachtig niet te boek als een revolutionair decennium, maar desondanks viel er genoeg te beleven op cinemagebied. We blikken terug aan de hand van acht typische jarentachtigfilms.

De jaren tachtig van de vorige eeuw worden niet beschouwd als het hoogtepunt van de filmgeschiedenis. Als we regisseur Quentin Tarantino mogen geloven waren alleen de jaren vijftig nog slechter. Filmnerd Tarantino, die meer films heeft gezien dan menig filmprofessor, ziet het decennium vooral als een brave, conformistische reactie op de wilde jaren zestig en zeventig, waarin driftig geëxperimenteerd werd met drugs, vrije seks en alternatieve samenlevingsvormen. Onder president Ronald Reagan werd een ruk naar rechts gemaakt en dat was terug te zien in de cinema. Aan het eind van een film hadden de helden altijd wel een morele les geleerd, terwijl de (anti)helden uit de jarenzeventigfilms tegen die tijd alleen maar cynischer waren geworden.

Tarantino had het in zijn terugblik op de jaren tachtig vooral over Hollywood, maar wie de wereldcinema doorvlooit merkt dat de oogst aan revolutionaire films of spannende nieuwe regisseurs ook daarbuiten bescheiden is. Vaak keren makers terug naar hun eigen jeugd en veel jarentachtigregisseurs waren opgegroeid tijdens de naoorlogse no-nonsensejarenvijftig.

Dit wil natuurlijk niet zeggen dat we de films uit die periode dan maar beter kunnen vergeten. Er viel genoeg interessants te beleven, en daar kijken we aan de hand van acht typische jarentachtigfilms graag op terug.

Blood Simple: de doorbraak van de Amerikaanse indiefilm

Al sinds het begin van de cinema worden er in de VS kleine, eigenzinnige films gemaakt buiten het Hollywoodsysteem om, maar in de jaren tachtig werd de Amerikaanse indiefilm (afgeleid van ‘independent’) echt een genre op zich. Dat had veel te maken met de turbulente decennia daarvoor. In de periode van Vietnam, hippies en Watergate raakten veel klassieke studio’s de aansluiting met het grote publiek kwijt. Beduusd begonnen ze jonge, talentvolle regisseurs in te huren die min of meer carte blanche kregen. Dat leidde tot een reeks rauwe, complexe, Europees aandoende Hollywoodfilms als ChinatownTaxi Driver en Apocalypse Now. Maar de revolutie was van korte duur: met de opkomst van veel lucratiever pretparkvermaak, zoals Star Wars en Indiana Jones, werden al die excentrieke makers weer even rap gedumpt.

Gelukkig konden zij vanaf 1981 aankloppen bij het Sundance Institute van acteur Robert Redford, een stimuleringsfonds voor onafhankelijke cinema. Mede dankzij die club konden vrije geesten als David Lynch, Jim Jarmusch, John Waters en Joel en Ethan Coen zich buiten de mainstream ontwikkelen, en zo werd de weg bereid voor de indie-explosie van de jaren negentig.

Eén exemplarische titel? Dan noemen we Blood Simple (1984) van de gebroeders Coen. Een debuut dat vanaf de eerste minuut al suggereert dat er nog heel veel moois in het vat zit.
(Rick de Gier)

Do the Right Thing: de grote doorbraak van Spike Lee

‘Ik wilde dat het zweet mensen zou uitbreken als ze Do the Right Thing zagen, ook al zaten ze in een bioscoop met airconditioning.’ Aldus regisseur Spike Lee in 2019 tegen The New York Times. Dertig jaar eerder was zijn film – over raciale spanningen in de New Yorkse wijk Bedford-Stuyvesant – er inderdaad in geslaagd de gemoederen danig te verhitten.

De eersten die het benauwd kregen waren de juryleden in Cannes, waar de film destijds in première ging. Ondanks staande ovaties bij elke vertoning gaven zij de film geen enkele prijs. Ook werd de film fel afgekeurd door sommige recensenten omdat hij zou aanzetten tot rellen – wat overigens nooit is gebeurd. Inmiddels is Do the Right Thing opgenomen in de canon van de Amerikaanse cinema, terwijl Lee is uitgegroeid tot een van de belangrijkste regisseurs van de afgelopen dertig jaar.

Dramatisch hoogtepunt in Do the Right Thing is de dood van het (fictieve) personage Radio Raheem, die met een wurggreep om het leven wordt gebracht door een agent. De geschiedenis blijft zich herhalen, en daarover maakte Lee in 2020 nog de korte film 3 Brothers: Radio Raheem, Eric Garner and George Floyd. Hierin zette hij fragmenten uit Do the Right Thing naast beelden van Garner en Floyd, die beiden door politiegeweld om het leven kwamen.
(Gerhard Busch)

RoboCop: ‘ons’ ultieme exportproduct

Typisch Nederlandse exportproducten vervullen veel Nederlanders met trots en als we naar de filmsector kijken, geldt Paul Verhoeven in het buitenland zonder twijfel als onze ‘tulp’. Zover was het nog niet in 1985. Toen leek het er even op dat het controversiële middeleeuwenepos Flesh+Blood zijn Hollywooddoorbraak zou inluiden, maar de film werd een gigantische flop. Nu had Verhoeven zich wel vaker glorieus hersteld na een mislukking en twee jaar later veroverde de plaaggeest uit de polder Hollywood alsnog met de satirische sciencefictionfilm RoboCop (1987). En dat terwijl het uitgangspunt van RoboCop klinkt als het recept voor een matige B-film: nadat een politieagent uit Detroit is doodgeschoten, wordt hij tot leven gewekt om als cyborg de misdaad te bestrijden. Maar dankzij een perfect gedoseerde mix van Verhoevens karakteristieke kwaliteiten bleek het eindresultaat verrassend genoeg ranzig, plagerig en vooral erg grappig. RoboCop werd een enorme hit en Verhoeven groeide uit tot een exportproduct om trots op te zijn. Om de commercial uit RoboCop te citeren: ‘I’d buy that for a dollar!’ (Alex Mazereeuw)

Rambo: hersenloze spierballenactie

Dankzij de populariteit van op testosteron drijvende actiefilms schopten sportschoolfiguren het in de jaren tachtig tot filmsterren. Met lompe, hersenloze spierballenactie, eindeloos ratelende automatische wapens en gevatte oneliners als comic relief. Dankzij digitaal bewerkte beelden kon er ook in B-films worden uitgepakt met relatief goedkope bombastische stunts en ontelbare explosies. Vaak draaide het om actiehelden die het Amerikaanse zelfbeeld oppoetsten, met een hoofdrol voor commando’s, (Vietnam) veteranen en losgeslagen ordehandhavers, zoals in Die HardLethal WeaponRoboCop of de B-films van ex-militair en karateka Chuck Norris. Jackie Chan brak in de VS door met martialartsfilm Police Story, terwijl westerse specialisten in oosterse vechtsporten opdoken als ‘superieure vechtersbazen’ in American Ninja en in Bloodsport – met de Belg Jean-Claude van Damme, ook bekend als The Muscles from Brussels. De populaire, Oscarwinnende Rocky-franchise van bodybuilder Sylvester Stallone was al toe aan haar derde deel toen Stallone als Rambo – een Vietnamveteraan die een eenmansguerilla begint tegen lokale, corrupte politie – met First Blood een nieuwe goudader aanboorde.

En ging de Oostenrijkse bodybuilder Arnold Schwarzenegger als B-held Conan the Barbarian zijn tegenstanders nog met blote vuisten en een zwaard te lijf, via Predator en Commando klom hij op naar de absolute A-blockbuster, The Terminator. Films waarin hij steevast verscheen met een mitrailleur over z’n schouder of een AK-47 in één hand. (Karin Wolfs)

My Neighbor Totoro: de wondere wereld van de anime

Meestal wordt Hayao Miyazaki’s Spirited Away (2001) genoemd als de film die de Japanse anime definitief op de wereldkaart zette – mede dankzij Disneys internationale distributie. Maar Nederlandse kijkers maakten in de jaren tachtig al massaal kennis met Japanse tekenfilms. Op televisie wemelde het er namelijk van. Nils HolgerssonHeidiAlleen op de wereld: allemaal Japanse producties. De verhalen waren vaak gebaseerd op westerse boeken, maar de stijl was typisch Japans, met die grote ogen en licht overdreven emoties, de prachtig geschilderde decors en weemoedig-zoete muziekjes.

Van een heel andere orde waren de tekenfilms vol seks en geweld die toen nog mangafilms werden genoemd. Daarvoor kon je destijds terecht in de cultvideotheek. En zoetjesaan verscheen er ook steeds meer anime in de bioscoop. Zo kon de liefhebber eind jaren tachtig genieten van drie zeer verschillende films: sf-thriller Akira, oorlogsdrama Grave of the Fireflies en familiefilm My Neighbor Totoro.

Die laatste titel, de doorbraakfilm van de eerdergenoemde Miyazaki, laat mooi zien waarom anime zo verfrissend kan zijn voor een publiek dat is opgegroeid met Disney. Het verhaal, waarin twee zusjes met een zieke moeder een stel goedmoedige bosgeesten ontmoeten, gaat nu eens niet over goed versus kwaad, maar is een onvoorspelbaar sprookje over alledaagse tragiek en kinderlijke verwondering. Nog altijd zeldzaam hartverwarmend.
(Rick de Gier)

E.T. the Extra-Terrestrial: M&M’s gemiste kans

In een van de vele onvergetelijke scènes uit Steven Spielbergs megahit E.T. the Extra-Terrestrial (1982) lokt de jonge Elliott het vriendelijke ruimtewezen E.T. met chocoladesnoepjes zijn kamer in. In het script stond dat de snoepjes M&M’s waren, maar fabrikant Mars Incorporated bedankte voor de eer, waarop de makers op zoek moesten naar een ander chocoladesnoepje. Dit werd Reese’s Pieces, dat de omzet na de film zag verdrievoudigen.

Dat bedrijven willen betalen om hun producten in films te laten zien, was wel eerder gebeurd, maar na E.T. kwam het pas echt op gang. En het kreeg ook een naam: product placement.

Kijk je door die lens naar jarentachtigfilms dan kom je in The Breakfast Club (1985) bijvoorbeeld wel erg veel Coca-Cola tegen, terwijl de cola van concurrent Pepsi juist prominent aanwezig is in de Back to the Future-films.

Product placement moet wel werken, want daarna is het alleen maar toegenomen. Zo betaalde Heineken naar verluidt 45 miljoen dollar om James Bond er in Skyfall (2012) toe te bewegen zijn favoriete glaasje wodka-martini (‘shaken, not stirred’) te laten staan en over te stappen op het groene flesje.

Vervelend, al die opgedrongen merken, maar je kan er als kijker ook je voordeel mee doen. Zo eist Apple dat alleen positieve personages hun iPhone mogen gebruiken. Zie je dus iemand met een mobieltje van een onbekend merk, dan weet je alvast wie de schurk is.
(Gerhard Busch)

Flodder: de Nederlandse middelvingerfilm

In het kielzog van de punkbeweging zette de jeugd in Nederlandse films zich met een grote mond en dikke middelvinger af tegen de burgerlijke truttigheid van ouders die er ook maar een potje van maakten. Verhoeven trapte in 1980 af met schandaalhit Spetters. Danny de Munk werd een tieneridool dankzij Ciske de Rat (1984) en de bijbehorende titelsong ‘Ik voel me zo verdomd alleen.’ Ruud van Hemert maakte school met Schatjes! (1984) en vervolgfilm Mama is boos! (1986), over wat later ‘moeilijk opvoedbare kinderen’ is gaan heten. Maar qua ‘wansmaak’ spande de vaak onderschatte regisseur Dick Maas de kroon met genrefilms die ieders guilty pleasure werden. Met spectaculaire actie, vermakelijke plots, platte humor en onvergetelijke oneliners – ‘maar buurman, wat doet u nu?’ – die op schoolpleinen en in kroegen veelvuldig werden geciteerd en inmiddels tot het cultureel erfgoed behoren.

Tussen zijn spraakmakende horrorfilms De lift (1983) en Amsterdamned (1988) maakte Maas zedenkomedie Flodder (1986) – waarin met een tank een villa aan gort wordt geschoten –, dé klassieke Nederlandse middelvingerfilm van de jaren tachtig. Qua genadeloze filering van de Hollandse klassenmaatschappij is het relaas over hoe de komst van een volkse familie een chique wijk op stelten zet nog geen dag verouderd. (Karin Wolfs)

A Nightmare on Elm Street: horror wordt mainstream

Dankzij invloedrijke klassiekers als The ShiningThe Thing, en Poltergeist ben je misschien geneigd de jaren tachtig te bestempelen als hét horrordecennium, maar het was bovenal de periode waarin Chucky, Jason Voorhees en Freddy Krueger bekende namen werden. Nadat John Carpenters Halloween in 1978 de weg had geëffend voor het slashergenre volgde in de jaren tachtig een explosie van horrorfilms waarin een griezel hitsige tieners achtervolgt en afslacht. Het stramien is een cliché geworden, maar in de eighties zat het duidelijk nog in de groeifase. Dat gaf grootmeester Wes Craven de kans om met A Nightmare on Elm Street (1984) alle grenzen van het genre af te tasten. In deze film laat hij droom en werkelijkheid vernuftig door elkaar lopen, terwijl Freddy Krueger zijn moordlust botviert. Het werd een kaskraker, met als gevolg dat het horrorgenre niet langer veroordeeld was tot obscure filmzaaltjes. Horror werd mainstream, en dat hebben we geweten: alleen al tussen 1984 en 1989 verschenen maar liefst vijf (!) Nightmare on Elm Street-films.
(Alex Mazereeuw)

Meer over de hierboven besproken films