In het prachtige drama Minari vestigt een Zuid-Koreaans gezin zich op het Amerikaanse platteland. Regisseur Lee Isaac Chung baseerde de film op zijn eigen ervaringen.

Immigranten Jacob en Monica staan aan het begin van een nieuw avontuur. Nadat ze jarenlang geestdodend werk hebben verricht bij een kippenslachterij in Californië, heeft Jacob een stuk grond gekocht op het platteland van Arkansas, waar hij groenten wil gaan verbouwen. Het wordt wel even doorbijten: de eerste jaren zullen ze harder moeten werken dan ooit, terwijl ze met hun twee jonge kinderen in een stacaravan wonen. Jacob heeft er alle vertrouwen in, Monica is minder optimistisch.

Voor de volledigheid: de Amerikaanse film Minari draait om personages van Zuid-Koreaanse afkomst en zit vol Koreaanse dialogen en brokjes Koreaanse cultuur. Maar in zekere zin is de nationaliteit van Jacob, Monica en hun gezin bijzaak. De moeite om aansluiting te vinden in een nieuwe omgeving, de financiële strubbelingen, het balanceren tussen twee culturen: iedereen die ervaring heeft met migratie zal er iets van herkennen.

Zoals dat vaak werkt, is de universele zeggingskracht van Minari een gevolg van een zeer persoonlijke aanpak. Regisseur en scenarist Lee Isaac Chung (1978) baseerde de film grotendeels op zijn eigen jeugdherinneringen. Niet toevallig speelt het verhaal zich af in de jaren tachtig en ligt het perspectief hoofdzakelijk bij de jongste telg van het gezin, de zevenjarige David. Vol verwondering ziet het jochie aan wat hem en zijn iets oudere zusje Anne allemaal overkomt. Het geeft de film een aangenaam dromerig, nostalgisch karakter, dat wordt versterkt door poëtisch camerawerk en prachtige muziek (van Emile Mosseri, die ook al zo’n mooie score maakte voor The Last Black Man in San Francisco)

De kracht van Minari schuilt in een sublieme dosering van drama en lichtvoetigheid

Alan S. Kim en Steven Yeun in Minari

Billy Wilder

Minari werd het afgelopen jaar genomineerd voor enkele honderden filmprijzen, waaronder zes Oscars. Niet gek voor een film die amper twee miljoen dollar kostte, geen grote sterren bevat en ook in Amerika moet worden ondertiteld. Gemaakt door een obscure cineast die tot voor kort nauwelijks kon rondkomen. Lee Isaac Chung regisseerde eerder al drie speelfilms en een documentaire; allemaal kritische successen maar financiële flops. Minari omschreef hij later in de pers als een laatste poging om iets succesvols te maken; een film waar hij met enige wanhoop zijn hart en ziel in stopte. Als het publiek weer was weggebleven, was hij omwille van zijn gezin maar leraar geworden.

Dat het anders liep, kan Chung achteraf wel verklaren. ‘Mijn eerdere films waren nogal artistiekerig,’ zegt hij in een interview met The Guardian. ‘Beïnvloed door minimalisten als Tarkovski, Kiarostami en Hou Hsiao-hsien. Ik hou nog steeds van die filmstijl, maar ben gaan inzien dat die eigenlijk niet zo bij mij past. Tegenwoordig kijk ik graag naar Billy Wilder. Het mocht allemaal wel iets minder ernstig en intellectueel.’

De kracht van Minari schuilt inderdaad in een sublieme dosering van drama en lichtvoetigheid. Vooral het personage van grootmoeder Soonja zorgt voor een komische noot. Zij wordt op zeker moment ingevlogen uit Korea om op de kinderen te passen terwijl hun ouders werken. David vindt Soonja maar vreemd: ze bakt geen koekjes zoals andere oma’s, maar speelt kaarten, vloekt en kijkt naar showworstelen op tv. Toch ontstaat er iets bijzonders tussen de twee.

Soonja wordt gespeeld door de Zuid-Koreaanse steractrice Yuh-Jung Youn, die met een Oscar werd beloond. Terecht, maar ook de rest van de cast levert mooi werk. Steven Yeun bijvoorbeeld (bekend van zombieserie The Walking Dead), die vader Jacob neerzet als een trotse maar gevoelige binnenvetter. En Will Patton, als buurman Paul, een aimabele pinksterchristen die tijdens het werk in tongen spreekt en ’s zondags met een enorm houten kruis door de omgeving sjokt. Uit het leven gegrepen, zegt Chung – je gelooft het meteen.

Alan S. Kim en Yuh-Jung Youn in Minari

Politiek

In hoeverre is Minari een politieke film? Natuurlijk zegt zo’n min of meer hedendaags verhaal over een migrantengezin in het Land der Mogelijkheden iets over de moderne American Dream. De boodschap is ontnuchterend: voor mensen als Jacob en Monica is keihard werken echt geen garantie voor succes.

Toch krijg je niet echt de indruk dat Chung een statement heeft willen maken, maar eerder dat hij gewoon zo eerlijk mogelijk wilde reflecteren op zijn eigen ervaringen. Alle personages, zowel de Koreanen als de witte Amerikanen, worden opvallend mild en genuanceerd geportretteerd. Er zijn bijvoorbeeld wat racistische incidenten, maar die lijken eerder voort te komen uit onwetendheid dan uit kwade wil. En hoe dramatisch het verhaal ten slotte ook verloopt, de toon blijft steeds voorzichtig hoopvol.

In die zin is de titel van de film veelzeggend. Minari, zo leren we, is een pittig Aziatisch kruid dat in de grond haast onuitroeibaar is. Oma Soonja zaait wat plantjes aan de oever van een beek, en die blijven daar ondanks alle tegenslagen op de boerderij welig groeien.

Minari is momenteel te zien in de bioscoop