Vijfentwintig jaar geleden maakte de rebelse filmmaker Mathieu Kassovitz een rauwe zwart-witfilm die insloeg als een bom: La haine. De invloedrijke klassieker draait vanaf 12 augustus weer in de bioscoop.

‘Het was bijna zoals met The Beatles.’ Zo omschreef het Franse Studio magazine de buitensporige media-aandacht die volgde op de première van La haine in 1995. De film, geregisseerd door de toen pas 27-jarige Mathieu Kassovitz, verscheen op de voorpagina van zo’n beetje elke Franse krant. En alleen al in Parijs bezochten 21 duizend mensen de film op de dag van de release.

Het in zwart-wit vertelde misdaaddrama raakte dan ook precies de juiste snaar in Frankrijk: leraren namen hun leerlingen mee naar de film, toenmalig minister-president Alain Juppé organiseerde een verplichte filmvertoning voor kabinetsleden. En president Jacques Chirac stuurde Kassovitz een persoonlijke brief, waarin hij hem bedankte voor zijn portret van een deel van de Franse samenleving dat vaak onderbelicht bleef.

Onder Franse critici heerst in Cannes een zeldzame consensus: het regent positieve recensies

Inspiratiebron

La haine volgt een dag uit het leven van drie vrienden die in de banlieues wonen aan de rand van Parijs: Saïd (Saïd Taghmaoui), Hubert (Hubert Koundé) en Vinz (Vincent Cassel in zijn doorbraakrol). We ontmoeten het trio in de nasleep van gewelddadige rellen. De aanleiding daarvoor was de mishandeling van een vriend van het trio, die tijdens een politieverhoor zodanig wordt toegetakeld, dat hij in kritieke toestand in het ziekenhuis belandde. Met name Vinz is razend en wil wraak nemen op de politie. Hubert probeert hem van dat idee af te brengen. En Saïd fungeert als een soort bemiddelaar tussen de twee.

Kassovitz kreeg het idee voor La haine toen hij op 6 april 1993 met zijn auto door Parijs reed en op de radio hoorde dat een paar straten verderop de 17-jarige Makomé M’Bowole is doodgeschoten door een politieagent, tijdens een verhoor. Hij is woedend en parkeert direct zijn auto in de buurt van het politiebureau waar het gebeurde, om zich aan te sluiten bij de protesten tegen het racistische politiegeweld. Na het zoveelste voorbeeld van dodelijke 'blunders' bij de Franse politie (sinds 1981 zijn er meer dan driehonderd soortgelijke bavures geregistreerd) is Kassovitz het meer dan zat. Hij besluit er een film over te maken als tegenreactie. Diezelfde dag nog begint hij aan het script.

Twee jaar later gaat de film in première in Cannes, waar La haine meteen een grote hit is. Kassovitz wint de prijs voor beste regisseur en onder Franse critici heerst een zeldzame consensus: het regent positieve recensies. Er zijn zelfs critici die La haine vergelijken met À bout de souffle: het meesterwerk van Jean-Luc Godard, dat in 1960 één van de belangrijkste startschoten van de Nouvelle Vague was. Met La haine zal Kassovitz volgens zijn bewonderaars eveneens een nieuw tijdperk van vernieuwende cinema inluiden, de zogenaamde jeune cinema français.

Maar kritiek is er ook. Bij de politieagenten die tijdens de première in Cannes de wacht hielden, schoot de anti-establishment toon van La haine in het verkeerde keelgat: toen de cast en crew op de rode loper hun opwachting maakten, keerden de agenten hen de rug toe. Andere criticasters zetten hun vraagtekens bij het feit dat Kassovitz zich als witte regisseur ontfermde over een onderwerp dat vooral zwarte, Arabische en Noord-Afrikaanse Fransen aanging. Het racisme in Frankrijk werd bovendien niet serieus genoeg genomen door de regisseur, doordat hij de witte hoofdrolspeler (Cassel) een prominentere rol in de film zou hebben gegeven dan de zwarte (Koundé) en de Noord-Afrikaanse (Taghmaoui), luidde de kritiek van anderen. Kassovitz zei daarover in een interview met het Franse dagblad InfoMatin: ‘Ik wilde geen film maken over zwarten of Arabieren tegen de politie, maar over jongens uit de banlieue tegen de politie.’

Vinz (Vincent Cassel), Saïd (Saïd Taghmaoui) en Hubert (Hubert Koundé) in La haine

Mode-effect

Hoe dan ook, Kassovitz had de explosieve en internationale aandacht voor La haine niet verwacht. Sterker nog, hij baalde er zelfs een beetje van. Hoe graag hij ook hoopte dat zijn film gezien werd, hij wilde te allen tijde voorkomen dat La haine een ‘mode-effect’ zou hebben door overmatige berichtgeving in de media. Hij wilde dat zijn film zou shockeren en hoopte misschien stiekem op een relletje hier en daar, maar kreeg in plaats daarvan voornamelijk veel lof, chique mensen die hem op Cannes vertelden hoe goed zijn film wel niet was en winkelketens die hem vroegen een La haine-kledinglijn te beginnen. Dat stoorde hem enorm, zoals ook het intellectuele discours rondom zijn film hem niet zo aanstond.

Kassovitz staat dan ook bekend als eigenwijs en tegendraads. Neem bijvoorbeeld alleen al de keuze voor zwart-wit, wat toentertijd (en misschien nu ook nog wel) bepaald geen logische of populaire keuze was. Om ervoor te zorgen dat de film genoeg geldschieters zou aantrekken, werd de film dan ook geschoten in kleur, om pas in de montage zwart-wit gemaakt te worden. Genoeg budget voor de film vond Kassovitz belangrijk: ‘Het onderwerp moest serieus genomen worden, zodat kijkers zouden beseffen dat het om meer gaat dan jongens die hun pet verkeerd op zetten en ‘yo!’ roepen. Het is een verfijnde fictiefilm, geen documentaire over leven in de banlieues’, zei hij daarover in een interview met Télérama.

De rebel Kassovitz

Ook vóór La haine werd duidelijk dat Kassovitz het niet altijd eens was met de gang van zaken in de filmindustrie. Toen hij in 1994 een César won voor zijn rol in de film Regarde les hommes tomber van Jacques Audiard (Kassovitz is ook acteur), weigerde hij z’n prijs op te halen. Hij vond dat in de Franse filmwereld een ‘verrotte beroepscode’ heerste van goed gedrag, en hij weigerde zichzelf voor die wereld ‘te prostitueren’.

Een ander voorbeeld van zijn rebelse aard is te vinden in de aftiteling van Kassovitz’ speelfilmdebuut Metisse uit 1993. Daarin wordt de afkorting FTCNC vermeld in de dankbetuigingen, wat staat voor Fuck The Centre National de la Cinématographie, verwijzend naar de Franse overheidsinstelling die weigerde de film financieel te steunen. Ook in Cannes viel Kassovitz’ eigenwijsheid op: tijdens het feest na de première van La haine werden cola, bier en chipolataworstjes geserveerd, in plaats van de gebruikelijke champagne en canapés.

Taxi Driver

Het budget voor de film was relatief groot voor een beginnend filmmaker: ruim 2 miljoen euro. Het was in ieder geval groot genoeg om cinematografisch flink uit te pakken, wat veel technische hoogstandjes opleverde die gewaardeerd werden door zowel de critici als collega-filmmakers. Een van de opvallendste is de scène waarin de banlieue vanuit een helikopter wordt gefilmd, ondersteund door de muziek van een dj. Een ander bekend shot uit de film is de dolly zoom (of vertigoshot) van de drie hoofdpersonages, in de binnenstad van Parijs. Kassovitz wilde met die zoom benadrukken dat de banlieue-jongens niet op hun plek waren in het centrum van de Franse hoofdstad.

Ook in een ander opzicht valt het camerawerk van La haine op: de film bevat ontzettend veel longtakes. De gemiddelde lengte van een shot in de film (15 seconden) is dan ook lang in vergelijking met bijvoorbeeld Amerikaanse films uit de jaren 90 (3 tot 6 seconden). Kassovitz beweert dat hij zoveel longtakes gebruikte omdat hij simpelweg te lui was en niet van monteren hield.

Lui is Kassovitz’ vertelstijl echter allerminst. Je zou juist eerder kunnen zeggen dat elk shot tot in de puntjes is uitgedacht. De vele referenties naar filmklassiekers geven daar ook blijk van. Met name Martin Scorsese is een maker waar Kassovitz door geïnspireerd lijkt te zijn: tijdens de introductie van het personage Hubert zien we hem in slow motion boksen, wat doet denken aan de opening van Scorseses Raging Bull (1980). In de bekendste scène uit La haine zit zelfs een vrijwel letterlijke kopie uit Taxi Driver (1976), wanneer Vinz voor de spiegel Travis Bickle imiteert ('you’re talking to me?'). Die scène was overigens een trucje met een figurant, waardoor er helemaal geen spiegel aan te pas kwam en Cassel dus recht de camera inkijkt.

Invloed

Op zijn beurt heeft Kassovitz weer tal van jonge filmmakers geïnspireerd. Het meest recente voorbeeld is Ladj Ly, wiens film Les misérables (2019) wordt gezien als de ‘moderne La haine’. Ly groeide op in een banlieue en zag met La haine voor het eerst een film die een verhaal vertelde vanuit zijn perspectief, vanuit het perspectief van de banlieue. Het inspireerde hem om zelf een camera op te pakken. ‘Wat jammer is, is dat mijn film gemaakt moest worden. Er is duidelijk nog niets veranderd in Frankrijk tussen La haine 25 jaar geleden en Les misérables nu’, vertelde hij in een interview met The Guardian.

Ook in Nederland vormt de film een inspiratiebron voor een generatie jonge filmmakers. Voor Jim Taihuttu bijvoorbeeld, wiens film Wolf (2013) duidelijke overeenkomsten vertoont met La haine, zowel stilistisch als inhoudelijk. En voor Shady El-Hamus, die inspiratie uit de klassieker putte voor zijn film De Libi (2019), ook een film over drie energieke vrienden van verschillende komaf. Voor Mees Peijnenburg is La haine zelfs een van de redenen dat hij regisseur wilde worden, zo vertelde hij in VPRO Cinema Extra. In zijn werk is zijn liefde voor de film duidelijk terug te zien, bijvoorbeeld in de korte Franstalige zwart-witfilm Un creux dans mon coeur (2015, te zien op Vimeo) of in zijn korte film Cowboys janken ook (2013, ook op Vimeo), waarin vrij duidelijk een dvd van La haine te zien is in het nachtkastje van een van de hoofdpersonen.

Vloek

Lai haine was en is nog altijd een groot succes, maar voor Kassovitz zelf kleeft er ook groot nadeel aan de film: het werk dat hij sindsdien maakte wordt voor zijn gevoel nog altijd compleet ondergesneeuwd. Nu zijn het ook niet bepaald meesterwerken die hij de afgelopen jaren afleverde, zoals Gothika (2003) en Babylon A.D. (2008), toch voelt het voor hem alsof die films volledig overschaduwd worden. In 2004 zei hij daarover: ‘Ik leef al tien jaar op La haine. Ik heb in de tussentijd zoveel andere dingen gemaakt, maar dat boeit niemand. Het gaat altijd over La haine. Het is mijn vloek. En tegelijkertijd is het iets waar ik ontzettend trots op ben.’

La haine is vanaf 12 augustus te zien in de bioscoop