In de film I’m not there van Todd Haynes laat Bob Dylan een grote leegte achter, die beurtelings wordt opgevuld door zes acteurs, onder wie Cate Blanchett, wijlen Heath Ledger en Richard Gere. P.F. Thomése, auteur van het pas verschenen Nergensman – ondertitel: ‘Autobiografieën’ – herkende zich volledig. ‘Deze film gaat niet over Dylan, hij gaat over mij.’

I’m Not There vertelt het levensverhaal – maar van wie? ‘Bob Dylan’, wordt ons voorgehouden. Maar de schitterende ster komt in de hele film niet voor, zijn naam wordt zelfs niet één keer genoemd, wat erg weinig is voor een hoofdpersoon van een biopic. Nee, hij is er niet, zoals de titel zegt. Afwezig in zijn eigen biografie.
 
Zo kennen we hem weer, dacht ik tevreden. Zwart gat in zijn eigen heelal. Ontbrekend middelpunt van oneindig speculeren.
 
Ik was er wel, in de bioscoop dan, en ik kreeg tijdens het kijken stellig de indruk dat de film over mij ging. Geen wonder, hij en ik hebben veel gemeen, vind ik zelf. Altijd al gehad. Misschien lijk ik wel meer op hem dan hij op zichzelf. Er zijn overigens wel meer mensen die meer op hem lijken dan hij, zo bijzonder is dat niet. ‘Ik ben Dylan niet’, beet hij ons fans al een keer toe. ‘ Jullie zijn Dylan.’
 
‘Wij zijn Dylan.’ Dat moeten de Amerikaanse cineast Todd Haynes en zijn crew ook gedacht hebben toen ze de ongrijpbare verdwijnkunstenaar lieten invullen door maar liefst zes verschillende acteurs, onder wie een vrouw (Cate Blanchett) en een veertienjarige zwarte jongen (Marcus Carl Franklin). Maar ook bekende Hollywoodnamen als Richard Gere, de onlangs ineens gestorven Heath Ledger en Christian Bale (in een dubbelrol) zijn gecast. Zij belichamen allen een deel van de mythe, zij moeten – in zeven verschillende gestalten – proberen de leegte op te vullen die het onderwerp overal achterlaat . Gedaanten, rollen, parodieën. Bob Dylan is alles – behalve wie hij is.

Raadsel
Geweldig idee, dat ik zelf gehad had kunnen hebben. En dat ik volgens mij in een iets ander verband ook gehad heb, maar dan anders. Het doet natuurlijk denken aan het bekende gedicht van de dadaïst Kurt Schwitters over de haas die eigenlijk een varkentje was dat eigenlijk een zwaan was die eigenlijk een vis was die eigenlijk een nijlpaard was die … enzovoort.
 
There we are. Wat is biografische belangstelling anders dan zich al meeglurend een leven toe-eigenen? Eigenlijk ben ik iemand anders, eigenlijk ben ik Bob Dylan. Die zelf eigenlijk een blanke met een zwarte ziel is. Maar eigenlijk heeft hij vooral vrouwelijke trekken. Wat betekent dat hij eigenlijk … ad infinitum. Zodat hij eigenlijk een raadsel blijft. En wij met hem.

Anti-biopic
I’m not there is geen biopic maar een anti-biopic. Het raadsel dat Dylan is, bevindt zich niet achter zijn werk maar in zijn werk – zoals bij alle kunstenaars die ertoe doen. Het raadsel is dat alle verklaringen het raadsel alleen maar vergroten.
 
Niet de zanger, maar het lied. Bij Todd Haynes staat het werk centraal, dat onvoorstelbare gebergte aan songs. Vanuit het werk wordt de onvoorstelbare maker bij elkaar gefantaseerd. Het verhaal van de film is het verhaal van het Bob Dylan Songbook , een labyrintisch, alle kanten op schietend verhaal dus. Het is eigenlijk helemaal geen verhaal, het is een enorme videoclip die de muziek illustreert. Het is een keten van associatieve beelden. Flarden, flitsen. Wat je ziet, zijn denkbeeldige herinneringen, waar gebeurde fantasieën. Het zijn de zelfverzonnen plaatjes bij deze inmiddels mythisch geworden muziek, waar de maker net zo ver van af is komen te staan als wij allemaal.

Regisseur Todd Haynes heeft heel goed naar het honderden en honderden nummers tellende liedcorpus geluisterd, de klassieke Dylan-documentaire Don’t look back van D.A. Pennebaker moet hij beeld voor beeld bestudeerd hebben, alle documentaire verschijningen van het verschijnsel zal hij trouwens minutieus bekeken hebben. Maar vooral heeft hij veel opgestoken van de zinsbegoochelende, van de hak op de tak springende films van Fellini (met name La Dolce Vita, Otto e Mezzo en Roma). Al met al heeft hij van I’m not there een soort surrealistische trip gemaakt waar je als kijker doorheen slaapwandelt – knipperend met je ogen vanwege alle knipogen naar Dylan-citaten, historische feiten en al dan niet bekende films. En de hele tijd hoor je de songs waar je zo naar verlangt, soms een paar akkoorden , soms een half nummer, hier of daar een cover – swingende, dwingende soundtrack die de beelden voortduwt, voortstuwt alsof het je eigen herinneringen zijn.

Over mijzelf
Ik had tijdens het kijken stellig de indruk dat de film over mijzelf ging en slechts zijdelings over Dylan, wat een goed teken is, want alle goede films gaan, zo heb ik gemerkt, over mijzelf. En als er iets over mijzelf gaat is het het werk van Bob Dylan wel. Het is de soundtrack van mijn leven. Mijn leven zoals ik het niet eerder beleefd heb.
 
Zijn werk speelt zich voortdurend af op de grens van de tijd, er wordt voortdurend verlaten, er breken voortdurend nieuwe tijden aan, in bijbelse zin neemt het einde steeds een aanvang, steeds is alles reeds gedaan, maar steeds ook staat alles te beginnen. Deze verwisseling van het komende en het voorbije zorgt ervoor dat Dylan telkens ‘terugkomt’, en wel keer op keer als een nieuwe gestalte. Het is een essentieel onderdeel in zijn mythografie, waarin hij steeds breekt met zijn voorgaande persona. In zijn werk wijst alles voortdurend vooruit en weer terug, het is een labyrint van verwijzingen naar een toekomst die in het verleden reeds bleek te bestaan. Zoals in de Bijbel inderdaad, waar de beloofde toekomst bestaat uit geassembleerde varianten van het reddeloos verloren en verleden paradijs.

Tegenstrijdigheden
Op deze wijze kunnen de tegenstrijdigheden gewoon naast elkaar bestaan. Door de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige kan dit oningevulde genie het ene ongerijmde aan het andere paren. Authentieke countryboy en gekunstelde, androgyne urban popster in één, reborn christian en herboren cynicus, onverstaanbare onheilsprofeet en vrouwenfluisteraar met zachte handjes, escapist en protestzanger, vernieuwer en neotraditionalist, hij is alles wat je in hem ziet en dat alles is hij bij nader inzien net niet. Hij is iemand die je wilt geloven maar niet kunt geloven, iemand dus van wie je steeds nog iets verwacht.

Er wordt, waar hij ook komt, altijd nog iets uitgezien. Een tipje van de sluier .
 
‘One word for the press, please!’ roepen de paparazzi in I’m not there. En Cate Blanchett, die meer op hem lijkt dan hij ooit op zichzelf heeft geleken, opent het raampje van de zwarte limousine en werpt met haar contemptious lips de persmeute hun woord toe. ‘Astronaut’, mompelt hij/zij, languissant als een mooi mager rijkeluismeisje, en daar schuift hij/zij het raampje alweer toe, de pers achterlatend als een roedel honden vechtend om het toegeworpen bot.

Zonder ons
Hij is door ons gemaakt tot wat hij niet is. Hij had het grote publiek nodig om te kunnen verdwijnen in verzinsels en veronderstellingen.

Het beeld dat Todd Haynes van Dylan geeft, is het beeld dat wij van hem hebben, wij bewonderaars en meelopers. Net zoals Greil Marcus met Dead Elvis ooit de biografie schreef van The King’s postume voortleven op de meest rare plaatsen, zo verfilmt Todd Haynes het leven van Dylan zoals het vorm heeft gekregen in de hoofden van zijn vasthoudend voort fantaserende fans. Zonder ons had hij nooit zo kunnen bestaan . Wij hebben de Dylan-mythe geheel aan onszelf te danken.

Misschien is Dylan gaandeweg wel in ons gaan geloven en is hij inmiddels hard zijn best aan het doen om zichzelf zo natuurgetrouw mogelijk te imiteren.

Iconen
In I’m not there zitten, over imitatie gesproken, ook de ( fictieve) levens verwerkt van enkele van Dylans eigen iconen, met name de folklegende Woody Guthrie en de bandiet Billy The Kid, want iets komt altijd ergens vandaan, niemand komt zomaar uit de lucht vallen, zelfs Bob Dylan niet. Juist Bob Dylan niet, deze deconstructivist die al volleerd was toen Derrida de term nog moest ijken.

De Dylan die Robert Zimmermann heeft samengesteld en waar hij zijn leven lang aan heeft gesleuteld, is oorspronkelijk opgezet als een pan-Amerikaanse gestalte: pionier, outlaw, messias, zo iemand die voortdurend horizonten zoekt om achter te verdwijnen.

Hobo
De film begint daarom niet voor niets met een goederentrein die door oneindig landschap sukkelt en waar de poor lonesome hobo’s in lege wagons ongezien meereizen van niks naar nergens, van gisteren naar morgen en weer terug.

Ook een kleine zwarte jongen, die zich Woody Guthrie noemt, is op deze trein gesprongen en rijdt aldus de film binnen. Hij ontpopt zich als een krankzinnig welbespraakte prater die ons in de van vele negers bekende watervaltaal overdondert met zijn oudtestamentische voorgeschiedenis. 
 
Uitstekende vondst, deze oeroude jongen die nog zegt te stammen uit woordloze voortijden, ons gezonden om te duiden en te waarschuwen. Het is de vroege Dylan ten voeten uit. Ik wist niet dat ik hem zo altijd had gezien, maar zo heb ik hem dus altijd gezien.
 
Tegenover dit oude kind plaatst Todd Haynes een eeuwig jonge en tegelijk stokoud geworden Billy The Kid, verrassend goed vertolkt door de gladjanus Richard Gere. (Billy is trouwens een bekende filmrol van Dylan – uit Pat Garrett & Billy The Kid van Sam Peckinpah, waarvoor hij ook de muziek schreef.) Het is een personage waar hij zich altijd mee is blijven identificeren. Terwijl de historische Kid (de naam zegt het al) jong gestorven is, leeft hij – omdat wij dat willen – rustig verder. Blijkens de film in het welluidende plaatsje Riddle, Missouri. Zo’n leven na de dood is wat Dylan voor zichzelf ook altijd gezocht moet hebben sinds hij in de jaren zestig zijn legendarische motorongeluk ensceneerde om aan zichzelf te ontkomen.
 
Het ene fictieve leven inruilen voor het andere, met als doel om eindelijk echt te kunnen bestaan.

Riddle, Missouri
Maar hoe graag hij ook verdwijnt, hij zal toch ergens moeten opduiken, want plaatsjes genaamd Riddle, Missouri bestaan helaas niet in het echt.
 
In die zin (van verdwijnen) miste ik in I’m not there één gedaante die er volgens mij zeker in had gemoeten, en dat is de gestalte van Ahasverus, de wandelende jood. Hoe lang is Dylan nu al niet onderweg? Hij is bezig aan zijn laatste toernee, de fameuze, omineuze Never Ending Tour. Al jaren en jaren en jaren. Terwijl ik deze woorden zit te tikken, pakt hij zijn spullen voor Mexico , om vervolgens door te reizen naar Buenos Aires, Montevideo, Santiago de Chile.
 
Maar anderen zeggen dat hij in een oude touringcar woont, ergens out on Highway 61, ingericht met boeken, muziek en een complete ministudio, van waaruit hij een radioprogramma verzorgt.

‘Hi folks!’
O .k., Bob, kom er maar in. We zijn hier nu eenmaal samen aan begonnen.
‘ Hi folks. Wherever you are, wherever you may be, here’s Bob Dylan with tonight’s program.’


P.F. Thomése’s ‘Nergensman - Autobiografieën ’ verscheen bij Contact. ISBN 9789025426170.