Dolfje Weerwolfje, de verfilming van Paul van Loons gelijknamige kinderboek over een jongetje dat vanaf zijn zevende verjaardag maandelijks in een weerwolfje verandert, is geen kinderversie geworden van Dr. Jekyll and Mr. Hyde.

Dat het leven van een zevenjarige keihard is, wordt in het begin van de film meteen duidelijk gemaakt. De bebrilde nerd Dolfje (Ole Kroes) wordt door pestkop Nico in zijn gezicht gespuugd, het mooie meisje Noura bijt hem toe: ‘Ik ben niet op je, hoor!’ en als Dolfje ook al niet vlot in de touwen kan klimmen bij gymles, is hij al snel het stomste jongetje van de klas.
Als de underdog dan opeens in een weerwolf verandert, zijn de mogelijkheden legio: Dolfje beschikt niet alleen over de bovennatuurlijke krachten om af te rekenen met zijn plaaggeesten, maar ook over een gigantisch geheim dat het einde van zijn overzichtelijke leventje kan betekenen.

Maar in plaats van in te zetten op de strijd tussen Dr. Jekyll en Mr. Hyde in de jonge mens, leggen regisseur Joram Lürsen (In Oranje, Alles is liefde) en scenariste Tamara Bos (Minoes, Het paard van Sinterklaas) in de film het zwaartepunt op de entertainmentwaarde van het anders-zijn.

We zien dus hoe Dolfje tegen een deurpost piest, in de gordijnen hangt en geholpen door computeranimaties als een dolle door de nachtelijke straten rent, waarbij Tygo Gernandt in de nabewerking de ‘stem’ van de kleine weerwolf heeft ingehijgd. Op dat kluchtige niveau werkt de film dan ook het best, waarbij de aaibaarheidsfactor van de hoofdfiguur bepalend is. Dat zou kunnen verklaren waarom Dolfje zo weinig van een weerwolf wegheeft en meer lijkt op een kruising tussen een teddybeer en een poedeltje.

Het grootste euvel van de film is de dubbelzinnige moraal. Dolfje krijgt enerzijds te horen dat niemand gewoon is en dat het oké is om anders te zijn – maar dan wel alleen als je bovengemiddelde dingen kunt (lees: als snelste in de touwen klimt of het hardste terugbijt). Anderzijds wordt hem geruststellend te kennen gegeven dat hij eigenlijk best wel normaal is.
 
Die tweeslachtigheid is illustratief voor de hele film, die wel erg hengelt naar de gunst van het publiek: anders zijn mag, maar binnen aaibare kaders.

Een speciale vermelding verdient ten slotte nog de prachtig geanimeerde titelsequentie van Balder Westein, die eerder de leader van het tv-programma De slag om Brussel maakte.