IFFR viert dit jaar zijn vijftigste editie. Inmiddels is het Rotterdamse filmfestival een van de grootste culturele evenementen in Nederland, maar daar zag het in 1972 niet naar uit.

Officieel begint International Film Festival Rotterdam (IFFR) op 28 juni 1972. Op die datum wordt namelijk de allereerste editie van Film International – zoals IFFR dan nog heet – feestelijk geopend.

Nou ja, feestelijk... De Rotterdamse wethouder van Kunstzaken De Vos is gevraagd voor de opening, maar wanneer die de vrijwel lege zaal in bioscoop Calypso ziet maakt hij meteen rechtsomkeer. ‘Dat ga ik zo niet openen,’ moppert hij.

Er zitten inderdaad niet veel mensen in de zaal. Welgeteld zeventien. Openingsfilm is De postbode van de Iraanse regisseur Dariush Mehrjui, die noodgedwongen vertoond wordt met Franse ondertitels, want een Nederlandstalige versie bleek veel te duur.

Het festival kent nog meer problemen, want van de 15.000 beschikbare kaartjes zijn er nog maar 700 verkocht. En zo dreigt Film International – dat door de kersverse festivaldirecteur Huub Bals bedoeld is als podium voor eigenzinnige filmmakers – een stille dood te sterven.

En dat terwijl de verwachtingen hoog zijn, want Bals heeft in geboortestad Utrecht naam gemaakt als organisator van topmanifestaties.

Allemaal flauwekul

Hubertus Bernardus Bals wordt in 1937 in Utrecht geboren als enig kind in een katholiek arbeidersgezin. Zijn vader is handelaar in dierlijke afvalstoffen, of zoals dat destijds werd genoemd: pensboer.

Op de hbs haalt Huub altijd tienen voor zijn spreekbeurten en hij valt op door zijn organiseerdrift. Kwaliteiten die in 1959 goed van pas komen bij zijn eerste echte baan: assistent-bedrijfsleider bij bioscoopondernemer Wolff.

Voor Wolff moet Bals zich gaan bezighouden met het binnenhalen van publiek voor de Utrechtse bioscopen Camera (vooral publieksfilms) en Studio (arthouse).

Huub Bals in 1972

Bals heeft gevoel voor show, zoals te lezen valt in de Bals-biografie Que le tigre danse (1996) van Jan Heijs en Frans Westra: ‘Werd een film als La belle américaine (1962) vertoond, dan liet Huub een grote Amerikaanse auto door de Utrechtse binnenstad rijden en bij Les parapluies de Cherbourg liepen allemaal meisjes met leuke parapluutjes door de stad. Ter gelegenheid van de Europese première van Zorba de Griek – een film waarvan Huub hele stukken dialoog uit het hoofd kende – was het mogelijk om in de kelders onder het Studiotheater de sirtaki te leren dansen.’

Dan komt Rotterdam in beeld. Amsterdam wordt even overwogen, maar Bals vindt dat een ‘kapsonesstad’

Subtiel is Bals niet, want draait er een Zweedse film in een van zijn theaters dan laat hij net zo makkelijk twee naakte vrouwen opdraven. En in de Cinecave – de door Bals begonnen eetgelegenheid in de kelders onder Studio – kun je de snack Claudia Cardinale krijgen, een hapje à la Fellini, of een sneetje B.B. (‘Een boterham met twee halve eitjes met rood spul erop. Het is allemaal flauwekul,’ aldus Bals).

Een en ander heeft wel tot gevolg dat films die in de rest van Nederland na één week geruisloos uit de bioscopen zijn verdwenen, bij Bals nog wekenlang volle zalen trekken.

Expansiedrang

Voor een jubileum van Wolff organiseert Bals in de laatste week van januari 1966 zijn eerste Cinemanifestatie. Waar hij gasten van internationale allure naartoe weet te halen. Van acteurs Jean Sorel, Janine Morgan en Mireille Darc, tot regisseurs als Bo Widerberg, Claude Lelouch en Zoltan Fabri.

Tot de Cinemanifestatie is de tweejaarlijkse Filmweek Arnhem (die alleen in oneven jaren gehouden wordt) het enige filmfeest waar filmliefhebbers naartoe kunnen, maar daar wordt nauwelijks gelet op kwaliteit. Het draait in Arnhem om de commerciële mogelijkheden van de films, terwijl Bals zijn films juist uitkiest op kwaliteit.

De Cinemanifestatie is meteen een doorslaand succes. ‘Vatbaar voor herhaling,’ jubelen diverse filmjournalisten in hun kranten. Wellicht dat de speciale voorstellingen die Bals alleen voor hen georganiseerd heeft (compleet met een hapje en een drankje) en de vijf Olivetti-typmachines die voor ze zijn klaargezet nog iets aan die jubelrecensies hebben bijgedragen.

Hoe dan ook, die tweede editie komt er, en een derde en vierde, maar daarna is Bals er klaar mee. Utrecht is te klein geworden. Want tot de komst van winkelcentrum Hoog Catharijne in 1973 is Utrecht nog een tamelijk bedaagde provinciestad. Bovendien ziet opdrachtgever Wolff zijn eigen aandeel in de Cinemanifestaties steeds kleiner worden door de expansiedrang van Bals en is men daar niet langer bereid de grote sommen geld neer te tellen die hij nodig heeft voor zijn filmfeestje.

De nieuwe directeur van de Rotterdamse Kunststichting Adriaan van der Staay, aangetreden in 1968, vindt namelijk dat er in zijn stad veel te weinig gebeurt op kunstgebied. Alle grote instellingen zitten in Amsterdam en wat Van der Staay betreft moet Rotterdam zich gaan profileren op gebieden waar nog wat te winnen valt, zoals poëzie, architectuur, en film. Hij vraagt Bals zitting te nemen in de sectie film van de Rotterdamse Kunststichting en samen zullen ze gaan proberen Rotterdam als filmstad op de kaart te zetten.

Schoffeercampagne

Eerste wapenfeit is de oprichting van Film International, een festival gericht op geëngageerde, kunstzinnige en experimentele films. Films die in Nederland (en België) nog geen distributeurs hebben gevonden. Sterker nog, met enig gevoel voor drama laat Bals destijds in een interview met NRC optekenen: ‘Rotterdam probeert een cinema te laten zien waarover wij het gevoel hebben dat hij nog niet in de bioscoop vertoond kan worden.’

Films als de Iraanse openingsfilm De postbode dus.

Probleem van een ‘superexperimenteel festival’ (volgens de Volkskrant), is dat je daarvoor een select publiek moet zien te bereiken. Wat Bals gezien de zeventien bezoekers voor De postbode op de openingsdag en de slechts 700 verkochte kaartjes, nog niet echt gelukt is.

Maar waar vind je het publiek voor films die eigenlijk niet in de bioscopen vertoond kunnen worden? Juist, in Amsterdam. Tenminste, dat denkt Bals. En dus laat hij in allerijl foldertjes drukken die hij in Amsterdam laat verspreiden. Met de tekst: ‘Als je niet bij Film International bent geweest moet je verder je smoel houden als er ergens over film wordt gepraat.’

De schoffeercampagne heeft succes, want uiteindelijk komen in 1972 toch nog zo’n 4500 mensen naar Film International. Waar ze naast De postbode ook films kunnen zien van (later) gerenommeerde makers als Rainer Werner Fassbinder, Wim Wenders, Philippe Garrel, Peter Bogdanovich en Paul Morrissey.

De meesten van hen zijn ook op het festival aanwezig, want als organisator van de Cinemanifestaties en als frequent bezoeker van de grote internationale festivals heeft Bals een enorm netwerk weten op te bouwen.

Huub Bals in 1972

Bon vivant

Op de poster van die allereerste editie staat overigens nog niet de tijger die zo kenmerkend zal worden voor het festival. Daarop is een vrachtauto te zien, want ontwerper Evert Maliangkay ziet de vrachtauto ‘als voertuig van nieuwe ideeën’.

Een jaar later staat de iconische tijger wel op de poster, om daarna nooit meer te verdwijnen.

De tijger als logo is een beetje een knipoog naar de leeuw in het logo van studio MGM, maar er wordt ook voor gekozen omdat het dier symbool staat voor gevaar, passie en de moed om je eigen pad te volgen.

Wat precies is wat Bals zal doen in de jaren na die voorzichtig gestarte, maar uiteindelijk goed ontvangen eerste editie. Hij haalt geëngageerde, kunstzinnige en experimentele films en filmmakers naar Rotterdam, neemt risico’s en blijft vernieuwen.

In 1984 krijgt Bals een hartaanval en er wordt hem verteld dat hij rustiger aan moet doen. Wat voor de boomlange en iets te zware bon vivant – die van drank en lekker eten houdt – een te grote opgave is. Wanneer de dokter hem vertelt dat af en toe een sigaartje nog wel kan, rookt Bals gelijk een kist per dag. Een tweede, fatale hartaanval volgt in 1988. Bals is dan 51 jaar oud.

De Duitse regisseur Wim Wenders gedenkt zijn filmvriend met een gedicht dat in de Volkskrant wordt afgedrukt, met daarin onder meer de volgende regels:

Once we walked down

the quiet streets of Rotterdam,

very late at night.


It was raining.

We had just seen a film by Cassavetes

and we were both happy

and wet

and felt like

singing in the rain.
 

Whatever troubled Huub,

he kept it for himself.

There was always

a faint aura of sorrow

around him.

He was a big tender bear

of a man.

He was generous.

Kunstwerk

Onder Bals’ leiding is het aantal verkochte kaartjes van de 4500 in 1972 gestegen naar 150.000 in 1988. Bals heeft Rotterdam als filmstad inderdaad op de kaart gezet.

Na zijn dood wordt Film Festival Rotterdam (zoals Film International sinds 1983 was gaan heten) omgedoopt tot International Film Festival Rotterdam. En ter nagedachtenis aan Bals wordt het Hubert Bals Fonds opgericht. Waarmee overal ter wereld makers van geëngageerde, kunstzinnige en experimentele films gesteund worden bij het maken van films.

In de jaren na Bals’ dood blijft het aantal verkochte kaartjes nog verder stijgen – naar 340.000 in 2020. Bals zou ongetwijfeld blij zijn geweest met het blijvende succes van ‘zijn’ festival. Want in een openhartig interview met Volkskrant-journalist Peter van Bueren in 1985 bekende hij: ‘Dit is mijn kunstwerk. Het enige dat ik kan maken.’

Voor dit artikel werd dankbaar gebruik gemaakt van de in het stuk genoemde Hubert Bals-biografie Que le tigre danse van Jan Heijs en Frans Westra.

Vierdelige podcast over 50 jaar IFFR

Ter gelegenheid van de vijftigste editie van IFFR duikt presentator en filmjournalist Cesar Majorana in de vierdelige podcastserie Tijgers & Cowboys in de roemrijke geschiedenis van het festival.

Majorana: ‘Het festival moet dit jaar even van vorm wisselen. Dat bleek een perfect moment om terug te blikken voor het vijftigjarig jubileum. Ons verzoek was: geef ons toegang tot alles! De archieven, de e-mails en contactgegevens van filmmakers. In ruil komen wij terug met iconische verhalen die precies illustreren waar IFFR om draait: jong talent, films uit verre oorden en politieke actualiteit. Zo kom je een boel rare intriges tegen. Ik wist bijvoorbeeld niet hoe ze vroeger Tarkovski en consorten naar Rotterdam haalden, maar daar komt dus omkoping, slimme ruilhandel en absolute geheimhouding bij kijken.

Wat mij is bijgebleven is het verhaal van Marja uit Rotterdam. Zij bezocht als jonge filmgek het eerste IFFR, in 1972. Daar zag ze het begin van, wat ze dacht, een heel goede film. Alleen was de ondertiteling in het Frans – pittig! – en het was zo’n lange dag geweest dat haar partner en zij in slaap vielen. Toen de lichten aangingen werden ze wakker. Film gemist. Vijftig jaar lang heeft ze zich afgevraagd: hoe loopt die film af? Ik ging op onderzoek uit en die film, De koe, een Iraanse klassieker, was nog te krijgen. In een lege bioscoopzaal ben ik met Marja vijftig jaar later eindelijk die film af gaan kijken. Hij was ijzersterk.

Dit verhaal staat centraal in de eerste podcastaflevering, waarin ik ook op zoek ga naar een cultfilm die volgens iedereen op het festival draaide, maar nergens in het officiële archief terug te vinden is. Dat verhaal kreeg een gek staartje toen iemand een paar jaar geleden bij IFFR aanklopte met het bericht: “Ik heb nog oud materiaal dat de montagetafel niet gehaald heeft.” Dit had jarenlang onder een bed liggen verstoffen. Met de kunstcurator van het festival ga ik na hoe hij een expositie maakte met dat verloren materiaal.

Ik kom zelf nog maar een handjevol jaren op IFFR, maar des te verbaasder ben ik over deze vijftig jaar aan geschiedenis die ik, en met mij vast ook veel bezoekers, nog niet kende.’