Inventaris van enkele verliezen heet het boek van Judith Schalansky, waarin ze schrijft over dingen de we in de loop der tijd kwijt zijn geraakt. Omdat we dezer dagen zoveel verloren zien gaan, vroeg haar Nederlandse uitgever haar een stuk te schrijven over verlies in tijden van corona. Het werd een onnavolgbare bespiegeling met een hoofdrol voor het schubdier.

Vier weken geleden stond ik in de Nieuwe Spiegelstraat in Amsterdam een tijdje voor een etalage. Het was de etalage van een antiquariaat dat zich had toegelegd op de handel in rariteiten uit de hele wereld, van het Verre Oosten tot Amerika, maar vooral op die in opgezette dieren. Te zien waren lijkbleke steenkoralen, een valk met een goud-purperen huif, die me deed denken aan de uitgestalde artikelen van fetisjshops in de homobuurt van Berlijn, een dwergaapje met de kenmerkende woeste witte haardos en een heel klein jong op de rug alsook een Victoriaanse glazen stolp met wel honderd opgezette kolibries, die zich, klein als vlinders en in alle denkbare kleuren, voor een geluidloos voorjaarsconcert op de takken hadden verzameld. Ik kon die aanblik maar moeilijk verdragen, omdat mijn kijklust werd vermengd met een gevoel van vertwijfeling over het feit dat de mens in staat is die schoonheid zelfs tegen de prijs van de dood te bewaren.

Ik wilde al doorlopen toen ik, een beetje verborgen in het halfdonker, een schubdier ontdekte, ongeveer zo groot als een teckel, dat langs een kunstmatig ogende, gedraaide stam omhoogklom. Zijn verhoornde schubben glansden zoals die van sparappels en hadden de nagedonkerde kleur van een antiek meubelstuk, zijn poten klampten zich vast aan het hout, zijn slurfachtige bek was in verbazing geopend en de piepkleine kraaloogjes waren gericht op een ver, niet te bepalen punt.

Ik had die ochtend een paar interviews gegeven over mijn nieuwe boek Inventaris van enkele verliezen, die allemaal waren uitgemond in gesprekken over de dood, het uitsterven van dier- en plantensoorten en de zin van het leven. 

Nadat een van de journalisten me de vraag had gesteld of ik geloofde dat de mens in staat is om te leren, keek ik door het hoge raam van de met stofbehang beklede grachtenkamer van het Goethe Instituut naar het water, waar een grote roofmeeuw telkens weer met zijn snavel in een stuk piepschuim pikte.

Is de mens in staat om te leren, vroeg ik me nu af terwijl ik naar het bordje onder het schubdier keek. Daar stond dat dit dier oorspronkelijk uit de Afrikaanse regenwouden kwam en dat het object waarin het na zijn gewelddadige dood en zijn preparatie was veranderd, afkomstig was uit een Belgische privécollectie.

A 19th century taxidermy African Giant Pangolin (Manis Gigantea)
Collectie Zebregs&Röell Fine Art and Antiques, Amsterdam

Ik moest plotseling weer aan de reizen denken die me in het voorjaar voor het eerst naar Turijn, Bologna en Tokio zouden brengen om daar lezingen te houden. De reis naar Beijing en Shanghai was een paar dagen daarvoor al afgezegd. ‘Het is veiliger als u thuisblijft,’ had de vrouw die het organiseerde geschreven. Vier weken later geldt dat advies voor de hele Westerse wereld.

‘In China is een zak rijst omgevallen’ is in het Duits een gangbare uitdrukking voor een onbelangrijke gebeurtenis. In de met elkaar gelinkte wereld geldt dat niet langer. Of in Britse stallen BSE-veroorzakend dierenmeel aan runderen wordt gevoerd of op een markt in het Verre Oosten een Chinese cobra of een hoefijzerneusvleermuis wordt geslacht, is voor de mensheid van de hele wereld wel degelijk van betekenis. Beide dieren werden gezien als de eerste verdachten voor de oorsprong van het uit het dierenrijk stammende virus, vooral omdat vleermuizen een hele reeks Coronavirussen herbergen zonder dat dat hun gezondheid schaadt. Intussen vermoedt men dat uitgerekend een Maleis schubdier de gastheer is geweest die het tot SARS-CoV-2 gemuteerde Coronavirus op mensen moet hebben overgedragen. Het stamt niet zoals het exemplaar dat ik in de etalage zag uit Centraal-Afrika, maar uit de Zuidoost-Aziatische regenwouden, waar het nooit gevangen had mogen worden, zoals het ook op geen enkele markt ter wereld te koop aangeboden had mogen worden, aangezien elke vorm van handel met deze dieren of hun lichaamsdelen wereldwijd verboden is. Want de solitair levende en ’s nachts actieve insecteneters zijn door mensen zo intensief bejaagd, dat veel populaties zijn verdwenen, en niemand weet hoeveel individuen van de acht met uitsterven bedreigde ondersoorten er nog over zijn.

Het schubdier is het meest illegaal verhandelde zoogdier wereldwijd. Alleen al in 2018 werden er 62.000 kilo gesmokkelde schubben in beslag genomen. Overeenkomstig hoog zijn de prijzen op de zwarte markt, aangezien het vlees als een delicatesse en de schubben in de traditionele Chinese geneeskunde als een wondermiddel worden beschouwd.

Er is geen uitgesproken gevoel voor zwarte humor voor nodig om de wrede ironie op te merken die besloten ligt in het feit dat uitgerekend een schuw, weerloos zoogdier, dat door menselijke bejaging op het punt staat uitgeroeid te worden, de overbrenger van een besmettelijke ziekte zou zijn die tot nu toe al tienduizenden doden heeft geëist en waardoor zo’n beetje een kwart van de wereldbevolking opgesloten zit binnen de eigen vier muren. Het herinnert ons eraan dat ook wij kwetsbaar zijn, een zoogdier dat met zijn acht miljard exemplaren voor een virus niets anders is dan gewoon een andere ideale gastheer.

Bij dreigend gevaar rolt het schubdier zich op. En dat is precies wat wij nu ook doen. In deze weken wordt duidelijk dat de grotere uitdaging van het leven daarin bestaat de wereld niet te veroveren, maar verdomme thuis te blijven, vooropgesteld dat men een thuis heeft.

Misschien komt het doordat ik in de DDR ben geboren dat lege supermarktplanken, gerantsoeneerde levensmiddelen, lange rijen wachtenden en dichte grenzen even vertrouwd zijn als de actuele ervaring dat vrijwel in één klap alles kan veranderen, dat het mogelijk is winkels, scholen en dierentuinen te sluiten, de Olympische Spelen net zo goed naar een vage toekomst te verschuiven als de wekelijkse pottenbakcursus van mijn moeder, en dat de kranten ineens koppen met: ‘Afrika sluit zich af van Europa.’

Als kind droomde ik er altijd van een keer bij mijn grootouders ingesneeuwd en van de buitenwereld afgesneden te worden, zodat we eindelijk alle voorraden die ze hadden verzameld zouden kunnen opeten. De ervaring van de oorlog had er bij hen voor gezorgd dat ze van alles wat er te koop was net zoveel hamsterden als er maar paste in de koelkast, in de kelder en in de holle ruimtes van de tuinmeubelen op de veranda. Daar stapelden zich de conservenblikken met perziken en abrikozen op, die alleen op feestdagen geopend werden. Helaas sneeuwden we nooit in, en dus bleven de voorraden onaangeroerd. Deze winter heeft het in Berlijn helemaal niet gesneeuwd. De winter komt, althans zo lijkt het, alleen nog maar voor in de bergen, in kinderboeken en op Hollandse schilderijen. Misschien keert hij nog een keer terug als we de tijd van de crisis niet alleen als onthouding en verlies beleven. De zuivere lucht boven Wuhan en het heldere water van Venetië zijn sterke beelden, die het beeld van de in piepschuim pikkende meeuw overdekken. Is de mens in staat om te leren?

Een virus dat iedereen kan treffen, laat eens te meer zien hoe noodzakelijk, ja zelfs van levensbelang het is de wereld als één organisme te begrijpen.