Het oeuvre van Luigi Pirandello (1867-1936) raakte meermaals in vergetelheid maar werd even zo vaak herontdekt. De lijvige bloemlezing Geluksvogels omvat tachtig van zijn korte verhalen.

‘Misschien is het wel zo dat Pirandello voor een reeks eclipsen en renaissances geschapen is,’ schreef (toneel)criticus H.A. Gomperts in 1953 in een stuk over diens ongrijpbaarheid en de destijds blijkbaar al actuele vraag of de Italiaan, nog geen twee decennia eerder ontvanger van de Nobelprijs voor Literatuur 1934, nu eigenlijk bezig was ‘te eclipseren of te herrijzen’.

Wat-ie gelijk had, ben je weer zeventig jaar later geneigd te denken.

Want, toeval of niet, het citaat van Gomperts lazen wij in een artikel van Martin Schouten uit de Volkskrant van 3 april 1998, waarin in de intro werd vastgesteld dat de toneelstukken van Luigi Pirandello (1867-1936) ‘nog zelden uit de kast gehaald worden’, terwijl de toenmalige Nederlandse uitgever van onder meer diens verzamelde verhalen, George Coppens, er monter in liet weten: ‘Het loopt voor geen meter.’

Steeds toont Pirandello de ijdelheid van zijn personages, hun valse pretenties of overspelige verraad

Zestien fraai uitgegeven delen verschenen er uiteindelijk tussen 1989 en 2005 bij het jammerlijk ter ziele gegane Coppens & Frenks, aanvankelijk in een tempo van twee delen per jaar, gaandeweg met steeds grotere tussenpozen. De recensies waren steevast lyrisch, en ze zwollen rond de voltooiing van het monsterproject nog eens stevig in aantal aan.

Maar tot florissante verkoopcijfers leidde dat zelden. Zelfs binnen die beperkte tijdspanne van zestien jaar leek Pirandello meermalen in de vergetelheid te raken en te worden herontdekt. En een blik in de digitale catalogus van de Koninklijke Bibliotheek leert dat de laatste herdruk van een van de bundels tot voor kort dateerde uit 2011.

In de boekhandel heerste kortom, om met Gomperts te spreken, bijna tien jaar lang een totale Pirandello-verduistering. Een eclips die nu, keurig volgens het vaste stramien, wordt gevolgd door wat je misschien hoopvol zijn zoveelste literaire hergeboorte mag noemen. De herontdekking van een absolute meester van het korte verhaal.

Zwavelmijn

Afgelopen oktober publiceerde het Vlaamse Karakters Uitgeverij (‘Waar ondergesneeuwde klassiekers een tweede kans krijgen’) al het eerste deel van die verzamelde verhalen, Het naakte leven, in de oude vertaling van Anthonie Kee. En deze week volgt bij Van Oorschot Geluksvogels, de lijvige bloemlezing die Yond Boeke en Patty Krone eruit mochten samenstellen en hervertalen. Tachtig verhalen op ruim achthonderd dichtbedrukte pagina’s, die samen een representatief beeld geven van wat in veel opzichten Pirandello’s meest ambitieuze onderneming was.

Typerend voor deze schrijver van de ontnuchtering en de ironie: diezelfde onderneming begon feitelijk als pure broodschrijverij.

In 1922 vatte hij het plan om in totaal 365 novellen te schrijven, één voor elke dag van het jaar

Pirandello, die op 28 juni 1867 op Sicilië werd geboren in de villa Il Caos nabij Agrigento, publiceerde zijn eerste verhalenbundel, Amori senza Amore, al in 1894, dat is waar. En terwijl hij debuteerde als dichter, grote successen vierde met romans als Wijlen Mattia Pascal (1904) of Iemand, niemand, honderdduizend (1926) en dankzij stukken als Zes personages op zoek naar een auteur (1921) en Henry IV (1922) de geschiedenis inging als invloedrijk en vernieuwend toneelschrijver, bleef hij daarnaast altijd verhalend proza op de korte baan schrijven.   

Maar de productie daarvan kwam pas goed op gang toen in 1903 de zwavelmijn van zijn vader Stefano overstroomd raakte en failliet ging, het aanzienlijke familiefortuin verdampte en Luigi zich genoodzaakt zag zijn salaris als docent literatuurgeschiedenis aan te vullen met de verkoop van zijn literaire werk aan kranten en tijdschriften. Niet altijd tot zijn genoegen, blijkt wel uit de brief die de vertalers in hun nawoord bij Geluksvogels aanhalen en waarin hij, wanneer hij in 1904 constateert dat hij al zestig ‘novellen’ schreef (‘Pirandelliaans’ voor ((kort)) verhaal), mismoedig opmerkt dat hij nu definitief “verhalenschrijver” van beroep is geworden’.

Meld je aan voor de tweewekelijkse nieuwsbrief van de VPRO Boekengids.

De nieuwste roddels uit schrijfland. Een amusante lezing van een auteur. Bookstagrammers die je absoluut moet volgen. Katja de Bruin gidst je in geheel eigen stijl door de wondere wereld van letters, proza en papier.

Skeletgestalte

Toch blijkt wel hoe serieus hij de resultaten nam uit het plan dat hij in 1922 opvatte om uiteindelijk in totaal 365 novellen te schrijven, één voor elke dag van het jaar, het liefst in de traditie van De vertellingen van duizend-en-één-nacht of de Decamerone van Giovanni Boccaccio (1313-1375) te publiceren in één boekdeel met de titel Novelle per un anno. Waarbij hij al die losse verhalen zag als ‘spiegeltjes die het hele leven reflecteren’.

Zijn wat commerciëler ingestelde uitgever overtuigde hem ervan zich tot circa vijftien verhalen per uitgebracht deel te beperken. En Pirandello stierf lang voordat hij de geplande 24 delen had gevuld. Maar de 237 verhalen die er kwamen vormen evengoed een overweldigende staalkaart van zijn kunnen en intenties.

‘Het naakte leven’, ooit het titelverhaal van het allereerste deel, mag al programmatisch heten. Moeder en dochter Consalvi bezoeken daarin twee beeldhouwers die ze een grafmonument willen laten maken voor de jonggestorven verloofde van de laatste. Een symbolisch werkje moet het worden, waarin een jonge vrouw, het Leven, in het huwelijk treedt met de skeletgestalte van de Dood. Maar wanneer een van de beoogde uitvoerenden de ontwerpschets van de (bijna)weduwe ziet, is hij ontzet. ‘U hebt het Leven een hemd aangetrokken… of liever een soort tuniek! Nee, nee! Naakt, naakt! Het Leven moet naakt zijn, m’n beste jongedame, dit lijkt nergens naar!’

Ugo Tognazzi in Pirandello’s Zes personages op zoek naar een auteur, Parijs 1986

Ugo Tognazzi in Pirandello’s Zes personages op zoek naar een auteur, Parijs 1986

‘Het naakte Leven, naakt en rauw zoals het is,’ was precies wat Pirandello zelf wilde weergeven. Wat in zijn geval niet per se neerkomt op braaf naturalisme, maar op het gniffelend ontmaskeren van de mens.

Of hij nu schreef over de boerse bevolking en hooggeboren kringen op zijn geboortegrond Sicilië of de kleine burgerij van middenstanders, ambtenaren en docenten in Rome, waar hij vanaf 1887 tot aan zijn dood bijna onafgebroken woonde, steeds toont hij de ijdelheid van zijn personages, hun valse pretenties of overspelige verraad. Het gapende gat tussen hoe ze zich tegenover anderen én zichzelf voorspiegelen en hoe ze daadwerkelijk zijn.

Potsierlijk

Het zou grimmig en misantropisch klinken, als zijn verhalen niet zo geestig, lichtvoetig en doortrokken van de milde, vergevingsgezinde spot van de ironie waren. Ze kunnen kluchtig zijn als ‘De Paduaanse pet’, waarin een pettenmaker een prachtig exemplaar stiekem van het hoofd van een overleden klaploper van een ‘klant’ wil grissen, na de rouwdienst ontdekt dat de koster van het plaatselijke kerkje hem voor is geweest, waarna het verhaal een nog veel verrassender wending neemt. Of pijnlijk grappig, zoals ‘De Kathaarse ketterij’.

In die tragikomische geschiedenis wil een hoogleraar godsdienstgeschiedenis een vernietigend college houden over een boek van een Duitse collega die zijn eigen studie over hetzelfde onderwerp overvleugelde. Een potsierlijke wraakactie, die des te potsierlijker wordt wanneer hij zijn betoog niet afsteekt voor zijn twee(!) studenten, maar voor een zaal vol te drogen gehangen jassen die hij abusievelijk voor een groot gehoor aanziet. Maar je hebt nog niet gegrinnikt om dat belachelijke tafereel, of je hart begint te schrijnen van medelijden.

(Voor Pirandello was die blik op onderliggende tragiek precies het verschil tussen platte komedie en zijn eigen ‘humorisme’.)

Proeftuin

Bizarre figuren en groteske situaties kom je ook in overvloed tegen. Van die maanzieke echtgenoot met wie een pasgetrouwde boerin zich opgescheept ziet, of de wonderlijke strijd tussen een kruikenmaker en een grootgrondbezitter (lees het prachtige ‘De oliekruik’) tot die verteller in ‘Ffff…’ wiens dooddoenerige tekst ‘Tja, het leven! Ffff… het is zo voorbij!’ een wel heel letterlijk effect blijkt te sorteren.

In filosofische verhalen draait het elders om zaken als de zachte grens tussen verbeelding en werkelijkheid, het fluïde en onkenbare ‘ik’ of de verstikkende beperkingen die de maatschappij het individu oplegt. Als vertalers Boeke en Krone in hun nawoord een greep doen uit de behandelde ‘onderwerpen’, prijkt op die lijst alles van ‘sociale misstanden’, ‘gekte en zwakzinnigheid’ en ‘de macht van de kerk’ tot ‘bespiegelingen over het heelal’. En in de proeftuin van zijn korte verhalen zie je ondertussen tal van thema’s, ideeën en experimenten terug die later in zijn romans en toneelstukken opdoken.

Eén voorbeeld: komen in zijn doorbraakstuk zes door een toneelschrijver afgedankte personages hun moment in de spotlichten opeisen bij diens regisseur, het tien jaar eerder geschreven openingsverhaal in Geluksvogels, ‘De tragedie van een personage’, begint zo: ‘Het is een oude gewoonte van me om de personages van mijn toekomstige verhalen elke zondagochtend audiëntie te verlenen. Vijf uur lang, van acht tot een.’

Reflecties van het hele leven?

Na de lange ‘eclips’ van tien jaar heb je in elk geval het gevoel dat de totale Pirandello in deze bloemlezing weer herrijst. In één band, precies zoals hij ooit droomde.

Luigi Pirandello

Geluksvogels

Vertaling Yond Boeke en Patty Krone