Net als haar andere werk, leest Schrijversleven van Annie Dillard als een associatieve collage van aforistische invallen, haarscherp beschrijvende scènes en lyrische flitsessays.

‘Een van de weinige dingen die ik van schrijven weet is dit,’ beweert Annie Dillard (1945) ergens op twee derde van The Writing Life (1989), nu dankzij haar uitstekende vertaalster Henny Corver in het Nederlands verschenen, ‘zet alles in, schiet, speel, verspeel alles, ga door, elke keer opnieuw. Pot wat goed lijkt niet op voor een later in je boek, of voor een ander boek; geef het, geef alles, geef het nu. (…) Alles wat je niet vrijelijk en overvloedig geeft raak je kwijt. Je opent de brandkast en treft as aan.’

Mooie, typerende zinnen zijn het. Zeker. Maar als de inhoud van deze alinea werkelijk ‘een van de weinige dingen’ was die ze van het onderwerp wist, dan zou Schrijversleven uiteraard nog veel dunner zijn gebleven.

In 115 pagina’s die, zoals veel van Dillards boeken, lezen als een associatieve collage van aforistische invallen, haarscherp beschrijvende scènes en lyrische flitsessays, komt veel en van alles voorbij.

Werkplekken

Zo vertelt ze fraai en ontnuchterend over wáár ze door de jaren heen zoal schreef, bewust spartaanse plekken als ‘een van b2-blokken opgetrokken cel boven een parkeerplaats’ of een prefab gereedschapschuurtje van drie bij drie meter. (‘Prettige werkplekken zijn iets om te mijden. Wat je nodig hebt is een ruimte zonder uitzicht, zodat verbeelding en herinnering elkaar in het donker kunnen tegenkomen.’) Het boekje wemelt van de tips en wenken voor jonge (aspirant-)schrijvers, soms verpakt in anekdotes als die over een student die een beroemde collega aanklampte met de vraag of het schrijverschap misschien ook voor hem was weggelegd. ‘Tja,’ antwoordde de schrijver, ‘dat weet ik niet… Houd je van zinnen?’

De jongen was verbaasd op het gepikeerde af, maar Dillard lijkt het de enige relevante vraag: ‘Als hij van zinnen had gehouden, zou hij natuurlijk gewoon kunnen beginnen, zoals een blije schilder die ik heb gekend. Ooit vroeg ik hem hoe hij tot het schildersvak was gekomen. Hij zei: “Ik vond verf lekker ruiken.”’

Dillard, die grote woorden zelden schuwt, zou belachelijk pretentieus klinken, als het resultaat niet vaak zo betoverend was

Wie wil schrijven, moet om woorden geven; zeker ook de woorden van grote voorgangers. Geïnspireerd raken als Hemingway door de romans van Knut Hamsun en Ivan Toergenjev of als Thoreau, die dweepte met Homerus.

Klinkt evident? Niet voor een dichter van twintig, die zonder blikken of blozen kan pochen dat hij niemands werk bewondert. ‘Jong als hij is moet hij nog leren dat dichters van gedichten houden en romanschrijvers van romans; zelf houdt hij alleen van de rol van dichter, het idee om met een hoed op te lopen.’ Behartigenswaardige passages genoeg.

Meld je aan voor de tweewekelijkse nieuwsbrief van de VPRO Boekengids.

De nieuwste roddels uit schrijfland. Een amusante lezing van een auteur. Bookstagrammers die je absoluut moet volgen. Katja de Bruin gidst je in geheel eigen stijl door de wondere wereld van letters, proza en papier.

Betoverend

Maar toch, als je Annie Dillard wilt gaan lezen, is Schrijversleven niet de ideale begintitel. En dat echt niet alleen omdat de Amerikaanse, die in eigen land als een koningin van de essayistiek wordt beschouwd, het op haar website ‘an embarrassing nonfiction narrative’ noemt.

Nee, begin vooral met Pilgrim at Tinker Creek (1974, Pelgrim langs Tinker Creek), het boek waarmee Dillard op haar achtentwintigste debuteerde als prozaschrijfster en een Pulitzer Prize in de wacht sleepte. Of, misschien nog beter, met de bloemlezing die ze zelf samenstelde uit de beste (hoofd)stukken uit die nature writing-klassieker én alle non-fictie die ze daarna schreef, The Abundance (2016). Een onvervalste literaire schatkist, waarvan de vertaling zo’n anderhalf jaar geleden welbeschouwd schandalig geruisloos verscheen.

Haar eerste literaire pelgrimstochten ondernam ze in 1971, toen ze na een bijna-fatale longontsteking een jaar lang in een boshut in een vallei in de Blue Ridge Mountains in Virginia woonde en wandelde, en tijdens het verkennen van de voor het ongetrainde oog niet eens zo spectaculaire natuur daar ‘een meteorologisch dagboek van mijn gedachten’ bijhield, zoals ze het in de geest van Henry David Thoreau en diens Walden (1854) noemde.

Haar doel: zich openstellen voor de wonderen van de schepping en via (het verwoorden van) die wonderen contact krijgen met god, of op z’n minst het goddelijke. Een streven dat, zoals wel meer bij Dillard, die grote woorden zelden schuwt, belachelijk pretentieus zou klinken, als het resultaat niet vaak zo betoverend was.

Want om het te bereiken zoomde de schrijfster juist in op het kleine en concrete. Liet ze al haar concentratie en niet geringe observatievermogen los op wat ze tegenkwam in velden, bossen en stroompjes, waarbij ze lang niet alleen oog had voor het lieflijke.

Extatisch

Beroemd is bijvoorbeeld die passage waarin ze beschrijft hoe een kikkertje wordt leeggezogen door een reuzenwaterwants: ‘Terwijl ik zo naar hem zat te kijken  schrompelde hij langzaam in elkaar en zakte in het water weg. Het leven trok uit zijn ogen, alsof het licht werd gedoofd. Zijn vel werd slap, lubberde; zelfs zijn schedel leek in te zakken, als een tent zonder scheerlijnen. (…) Even later dreef het vel, vormeloos als een lek geprikte ballon, in felgroene plooien in het water.’   

Met een door verwondering gescherpte blik kijken is hier feitelijk haast een vorm van aanbidding, terwijl het gebed van haar proza niet zelden naar het extatische neigt. In ritmisch voortdenderende zinnen stapelt ze beeld op beeld, metafoor op metafoor. En dat doet ze op haar beste momenten zo meeslepend dat wanneer ze, in het essay ‘De wezel’ uit de prachtbundel Teaching a Stone to Talk (1982), plotseling voor het eerst oog in oog staat met zo’n beestje, je niet alleen haar opwinding voelt en het dier in detail voor je ziet. Ze weet zelfs aannemelijk te maken dat er tussen observator en geobserveerde een tijdelijke zielsverstrengeling plaatsvond. ‘Onze blikken haakten in elkaar en iemand gooide de sleutel weg. Onze blik was alsof twee geliefden, of aartsvijanden, elkaar onverwacht op een overwoekerd pad tegenkwamen (…): een verhelderende stomp in hun maag. Maar ook een verlichtende stomp tegen hun hersenpan, hersens die plots op elkaar botsten met de elektrische lading en het intieme schuren van langs elkaar wrijvende ballonnen. Een stomp die de lucht uit onze longen dreef. Die het bos velde, de velden verschoof en de plas deed leegstromen. De hele wereld ontmantelde en tuimelde in dat zwarte gat van ogen.’

In De overvloed vind je ook ingetogener stukken. Zoals die acht hoofdstukken uit haar (jeugd)memoires An American Childhood (1989), waarin het onder meer gaat over haar jaren als opstandige tiener of het enorme belang dat er in het gezin in Pittsburgh waarin ze opgroeide werd gehecht aan het vakkundig kunnen vertellen van moppen en grappige anekdotes. Een vaardigheid die ze uitstekend onder de knie kreeg, blijkt in een fragment uit het reportagetweeluik Encounters with Chinese Writers (1984) waarin ze samen met Allen Ginsberg een groep bezoekende Chinese auteurs vergezelt naar een pretpark, en een van de gasten kwijtraakt. Er wordt gespeculeerd over diens mogelijke paniek, waarna Dillard droogjes noteert: ‘Sommigen in het gezelschap zijn van mening dat Chen Baichen, die twee wereldoorlogen, bezetting, bevrijding, hongersnood, de campagne tegen rechts en de Culturele Revolutie heeft overleefd, Disneyland waarschijnlijk ook wel aankan.’ Dillards hele palet aan stijlen is hier bijeengebracht, zoals ook de onderwerpen en thema’s een bonte verzameling vormen.

Gênant

Maar de grootste hoogte bereikt ze inderdaad als ze als (stilistisch) maximalist leeft naar haar adagium ‘geef alles’. Wanneer ze schrijft als een ontremde kruising tussen Joan Didion, John Muir en de mystica Hadewych, en de zinnen die dat oplevert zo bruisen en sprankelen dat je voor lief neemt dat de grens tussen lucide lyriek en woorddronken wartaal soms een dunne is.

Kleine kanttekening (en misschien is dat wel wat ze zelf gênant aan het boekje is gaan vinden): als Dillard in Schrijversleven bij vlagen een vergelijkbare toon aanslaat over haar vak als ambacht en roeping, heeft dat wél iets potsierlijks. Alsof ze net zo extatisch wordt van haar eigen scheppende werk als van de Schepping.

Gelukkig staat daar dan weer het slothoofdstuk tegenover, een prachtige ode aan de vliegkunsten van een bevriend stuntpiloot: ‘Het was alsof Mozart zich door zijn noten kon laten optil­len en jij je veranda op kon lopen en hem met zijn pruikje en kniebroek door de lucht kon zien vliegen. Je kon de muziek horen terwijl hij erdoorheen dook; ze sleepte als een condens­streep achter hem aan.’ Dat je die hemelse waaghalzerij waarschijnlijk ook als een metafoor voor het schrijverschap moet lezen? Soit.

Annie Dillard
Schrijversleven

Oorspronkelijke titel The Writing Life


Vertaling Henny Corver