Kirsten van Santen wilde ontsnappen aan het droge, maar zocht vergeefs naar een zwembijbel. Dus schreef ze die zelf maar: Water pakken. ‘In het water gelden andere wetten.’

Natuurlijk wil ze een schone onderbroek voor me meenemen. En een handdoek, want ook die is in de haast thuis blijven liggen. ‘Ik heb er een met dolfijnen erop,’ zegt Kirsten van Santen (1975) door de telefoon. ‘Zo eentje die echt niet afdroogt, weet je wel? Mijn dochter zei al: “Die kan ze wel houden.”’

Het is maandagochtend en de eerste keer dat ik met een badpak onder mijn kleren op weg ben naar een interview. We hebben afgesproken bij zwembad It Gryn (Het Griend) in Stiens, vlakbij Van Santens woonplaats Leeuwarden. Het sobere 25-meterbad is de thuishaven waar een deel van haar debuut Water pakken tot stand kwam, een persoonlijke en culturele zwemgeschiedenis, waarin ze al borstcrawlend en met hulp van dichters, denkers en andere waterminnende landgenoten zowel de ziel van de Nederlandse zwemmer als het water tracht te doorgronden.

‘Alles wat je is opgelegd door de maatschappij, anderen of jezelf, bestaat onder water niet’

Kirsten van Santen

Vergeefs had ze ernaar gezocht, zo’n ‘zwembijbel’, in de Nederlandse literatuur. Dus deed ze wat je kunt doen als je als schrijver iets wilt lezen wat nog niet bestaat: zelf schrijven. Via boekhandelaar Ronnie Terpstra van Boekhandel Van der Velde (‘al jaren mijn zwemboekendealer’) kwam Van Santen in contact met Jessica Nash, uitgever bij Atlas Contact en mede-amateuropenwaterzwemmer. Dat werd koffie.

‘Waarom zwem jij?’ vroeg Nash.

‘Je bedoelt: heb ik een probleem?’ antwoordde Van Santen lachend. ‘Want dat vraag je eígenlijk, toch?’

Dat zit zo, zegt ze: ‘In landen als Engeland, waar zwemboeken een genre is, zwemmen mensen altijd om een probleem op te lossen.’ Zwemmen als loutering dus, als medicijn tegen verslaving, depressie, een verloren liefde. Pech voor Van Santen, wier probleem vooral leek te zijn dat ze er geen had.

Roze badmuts

Van Santen is kunstredacteur bij de Leeuwarder Courant en Dagblad van het Noorden. Ze is cultureel antropoloog. Ze is een van The Unsinkables, het groepje zwemmers met wie ze wekelijks traint. Ze is vrouw, dochter, geregistreerd partner van landrot en waterhater Arjen. Ze is moeder van rugbyer Birk (12) en zwemmer Marit (10). Wat ze maar wil zeggen: ze is een gewoon mens. Niet heel dapper, zeker geen fitgirl, tamelijk lui, en tot dusver prima in staat gebleken een overzichtelijk bestaan te leiden. Het is precies waar ze graag aan ontsnapt: het geordende, burgerlijke landleven.

‘In het water is alles fluïde, er gelden andere wetten,’ klinkt het vanonder een roze badmuts tussen het soepele baantjestrekken door. Water breekt muren. ‘Alles wat je is opgelegd door de maatschappij, anderen of jezelf, bestaat onder water niet. Zwemmen maakt me anarchistischer. Ik doe het om me thuis te voelen in de wereld.’ Steevast komt Van Santen anders uit het water dan ze erin ging. Lichter, onverschilliger, op een goede manier. Zwemmen brengt haar nieuwe inzichten en voorkomt dat emoties haar overspoelen. Euforie verandert in zacht golvende blijdschap, wanhoop in verdraagbaar verdriet.

‘Wanneer ik om me heen kijk, zie ik dat er meer zijn zoals ik. Wegzwemmers.’

Zoals de dag na het overlijden van haar goede vriendin Sascha in 2018. Zwemmen? Van Santen moest er niet aan denken. Landrot Arjen bracht haar een handdoek. Ga nou maar. Ze ging. ‘Ik was zo verdrietig aan het zwemmen, ik dacht: dit gáát toch niet, al die zoute tranen in dit chloor? Het was het ergste wat ik ooit had meegemaakt; zo’n jong mens dood, moeder van drie kinderen, mijn vriendin.’ Ze bleef zwemmen. Twee baantjes, vier, zes, acht, tien. Van Santen: ‘Toen ik weer op de kant stond, was het verdriet nog steeds rampzalig, maar ging het met mij iets beter.’

‘De zwemmer zwemt weg uit zijn bestaan,’ schrijft Van Santen over Neddy Merrill, de hoofdpersoon in het korte verhaal ‘The Swimmer’ van John Cheever. ‘Soms ben ik net als Neddy. En wanneer ik om me heen kijk, zie ik dat er meer zijn zoals ik. Wegzwemmers.’

Van Santen zoekt ze op, deze wegzwemmers. Op 57 zwemplekken door het hele land gaat ze met hen te water. Haar plan: zichzelf uit het chloor van het zwembad, via het zoet van zandgaten en rivieren, de zoute zee op zwemmen. Onderweg treft ze projectmanagers, thermografen, meerminnen en zwemmers zo groot als reuzen. Als de ‘poortwachters van verborgen water uit heel Nederland’, ontsluieren ze voor Van Santen hun dierbare zwemstekken, de een nog mooier klinkend dan de ander: het grindgat, het Nieuwe Robbengat, het Jeppegat, het Goese Sas.

Meld je aan voor de tweewekelijkse nieuwsbrief van de VPRO Boekengids.

De nieuwste roddels uit schrijfland. Een amusante lezing van een auteur. Bookstagrammers die je absoluut moet volgen. Katja de Bruin gidst je in geheel eigen stijl door de wondere wereld van letters, proza en papier.

Watergeheim

Wat Van Santen al lang wist, ziet ze steeds meer bevestigd: wie iets van de ‘natte wildernis’ wil snappen, heeft de dichters nodig. Vrijwel elke zwemmer ervaart iets wat lijkt op wat de Vlaamse poëet en zwemmer Paul Snoek (1933-1981) schrijft in zijn gedicht ‘Een zwemmer is een ruiter’: ‘Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.’ Of, zoals de Maastrichtse Maud het verwoordt in Water pakken: ‘Ik denk weleens dat zwemmen een rommelig soort bidden is.’

De dichter die misschien wel het dichtst bij het ontrafelen van het goddelijke watergeheim komt, is Piet Gerbrandy. De classicus blijkt een koning in wat Van Santen het ‘hogere zwemmen’ noemt: het zwemmen om het zwemmen, weg van de klok en competitie. ‘Je duikt onder in lagen waartoe het denken geen toegang heeft,’ citeert ze hem in haar boek. ‘Wie dat schrijft, moet veel van water weten.’

Dat Gerbrandy dit parallelle universum bij voorkeur poedelnaakt betreedt, ontdekt Van Santen als hij zich aan de rand van zwemplas ’t Hilgelo in de Achterhoek onverstoorbaar helemaal uitkleedt. ‘Gerbrandy wrijft zich verheugd in de handen. “Gaan we erin?”’ Niet veel later dobberen de dichter en de schrijver, tot voor kort wildvreemden voor elkaar, bil aan bil midden in het groene water.

Dat Van Santen een zwemmer zou worden, stond vast. Ze is erfelijk belast, geboren in een waterrattenfamilie. Haar oom Henk, ooit aan één oog blind geraakt tijdens het waterpolo, zwom de Westerschelde over, van Vlissingen naar Breskens, ver voor zulke tochten gangbaar werden.

Als Van Santen lang genoeg zwemt, duikt soms haar zwemschim op: een hallucinatie van het vriendelijke soort die met haar meezwemt. Altijd schuin achter haar. Een mannelijke energie is het, zegt ze. Hoekig, sterk, onverzettelijk. In het eerste hoofdstuk zwom hij pardoes het boek binnen.

Beschroomd biechtte ze de verschijning op aan uitgever Nash. Van Santen wilde ver blijven van alles wat neigt naar esoterisch, spiritueel of zelfhulp. ‘En daar kwam ik, met mijn zwemschim.’ Geweldig, vond Nash. De schim bleef. En bleek niet de enige zwemgids die Van Santen op cruciale momenten bijstond.

Amelander gat

Als een geschenk uit de hemel staat ze er, naast het Uitwateringskanaal van de Oude Rijn bij Katwijk, die uitmondt in de zee: de negenjarige, rood gekrulde vissersdochter Lisa. Opgegroeid nabij de grens van zoet en zout, is ze het ideale brakwaterwezen om Van Santen de Nederlandse delta uit te geleiden, het zout in, waar haar grootste avontuur wacht.

Heel misschien kan het, krijgt ze te horen als ze haar wens voorlegt aan een schipper van de Koninklijke Nederlandse Reddings Maatschappij. Van Santen wil het Amelander gat oversteken, het zeegat tussen Terschelling en Ameland dat de Noordzee met de Waddenzee verbindt. Ver is het niet, gevaarlijk wel, vanwege de stroming. Toch zal ze, in een ultieme poging een verbond te sluiten met het ontembare water. ‘Ik wil de getijden voelen en de stroming. Ik wil tussen twee zeeën doorzwemmen.’

Op een zonnige septemberzondag is het zover. ‘Toen wist ik: nu zwem ik het laatste hoofdstuk in,’ zegt ze. Naast haar ronkt de motor van reddingsboot De Tonijn, ergens in zee zwemt een afgedreven walrus uit de poolstreek. Van Santen weet: als de zee te wild wordt of zij te ziek, is het einde oefening.

Dus leegt ze haar maag heimelijk onder water, als de slokken zout water en urenlange deining haar te veel worden. Van Santen is geen mens meer, ze is vis geworden. Een kotsende paling. Unsinkable. En dan ineens is daar haar schim, niet achter maar naast haar. ‘Ik ben te misselijk om blij te zijn.’

Onverschillig op de beste manier, zwemmen ze samen de Amelander kust tegemoet. Het landleven lonkt weer.

Kirsten van Santen
Water pakken
(Atlas Contact)