Vlak voor zijn dood gaf neuroloog Oliver Sacks zijn vriend Lawrence Weschler alsnog toestemming om een boek over hem te schrijven. En hoe gaat het met u, dokter Sacks? bestaat uit aantekeningen, interviews en hun correspondentie.

Het sprankelende portret van schrijvend neuroloog Oliver Sacks (1933-2015)  En hoe gaat het met u, dokter Sacks? is het resultaat van een professionele ramp, die uitmondde in een levenslange vriendschap. 
De zomer van 1981 was het toen Lawrence Weschler (1952), kersvers redacteur bij The New Yorker, de nog betrekkelijk onbekende Brit opzocht in zijn huis op City Island, in de Bronx. Omdat hij niet lang daarvoor ademloos diens tweede boek Ontwaken in verbijstering (1973) had gelezen, het pas later bejubelde en verfilmde verhaal van hoe Sacks een groep catatonische lijders aan de slaapziekte encephalitis lethargica dankzij het ‘wondermedicijn’ L-dopa een tijdelijke, lenteachtige heropleving bezorgde.

En omdat Weschler op zoek was naar een nieuw onderwerp voor een uitgebreid profielstuk en, wie weet, een biografisch boek. In zijn voorwoord citeert hij nu zes prachtpagina’s uit zijn aantekeningen van die eerste middag. Het veelbelovende begin van wat uitgroeide tot vijftien notitieboeken vol ruw materiaal, waarvan alleen al het register meer dan 250 pagina’s besloeg. De verslaggever vergezelde Sacks als ‘een bonenstakige Sancho Panza’ naast zijn ‘omvangrijke Don Quichot’ op diens rondes langs patiënten en tijdens bezoeken aan geboortestad Londen, botanische tuinen en natuurhistorische musea.

Ze dineerden en correspondeerden. Weschler kreeg toegang tot Sacks’ dossiers en interviewde (jeugd)vrienden en collega’s. Maar toen hij na vier jaar zijn artikel wilde gaan schrijven… vroeg zijn onderwerp hem dat niet te doen. Reden: Sacks wilde niet dat bekend werd dat hij homoseksueel was. ‘Ik heb een leven geleid vol heimelijkheid,’ zei hij, ‘en ben te gronde gericht door remmingen, en dat zie ik niet meer veranderen.’

Gruwel

‘En,’ zoals Weschler tegen het eind van zijn boek met gevoel voor ironie schrijft, ‘dat was het dan.’ De twee mannen bleven goed bevriend (Sacks werd zelfs peetvader van Weschlers dochter), maar het publicatieplan leek voorgoed van de baan. Tot de poet laureate van de gevalsbeschrijvingen kort voor zijn dood ‘niet alleen toestemming gaf dat lang uitgestelde project weer op te pakken, hij beval [hem] zelfs dat te doen. "Nu,' zei hij, ‘doe het nu! Je móét het doen!" Een biografische ridderslag met een flink addertje onder het gras.

Of Sacks nu vertelt over de filosofen die hij leest, zijn boeiendste patiënten of zijn liefde voor amfibieën, zijn stem klinkt levendig en schijnbaar ongefilterd op van het papier

Want kort voor zijn dood publiceerde Sacks het uit-de-kast-memoir Onderweg (2015), waarin onder meer zijn moeders traumatische eerste reactie op zijn geaardheid te lezen was (‘Je bent een gruwel. Ik wou dat je nooit was geboren.’) en hoe hij  op zijn 21ste in Amsterdam werd ontmaagd door een toevallige passant die hem dronken in de goot aantrof, mee naar huis nam en, aldus de Brit, ‘buggered me’. In Oom Wolfraam en mijn chemische jeugd (2001), schreef hij over zijn vroege passie voor scheikunde en zijn akelige kostschoolervaringen. En in de elf overige boeken die er na 1985 van hem verschenen, werd uiteraard nog veel meer gras voor Weschlers voeten weggemaaid.

Verhaaltjesverteller

Wat heet. Wie alleen Sacks recentste postume bundel Eerste liefdes en laatste verhalen (2019) las, komt al meerdere overlappende anekdotes tegen. Die over die honderd inktvissen die hij als puber, onoordeelkundig op sterk water gezet, in een glazen pot in de kelder van een schoolvriend zette, bijvoorbeeld. Waarop die na verloop van tijd ‘met een zware, borrelende knal’ uit elkaar sprong, een overweldigende rottingsgeur verspreidend. 
Déjà lu’s genoeg. Waarom dit dan toch geen overbodig boek is? Het helpt dat Weschler zijn latere vriend in een interessante periode volgde.

Aan het eind ervan stond de ‘bijna-kluizenaar aan de rand van wereldwijde roem’, maar voor hij bij het grote publiek doorbrak met De man die zijn vrouw voor een hoed hield (1986), werd Sacks in medische kringen weggezet als een onwetenschappelijke verhaaltjesverteller. Terwijl hij tijdens het schrijven van Een been om op te staan (1985) werd geteisterd door een paradoxaal soort writer’s block: hij produceerde oeverloze teksten, waarvan minstens 99 procent moest sneuvelen. Onthullend is de scène waarin een redactrice zijn driehonderd ‘ietwat chaotische bladzijden’ tellende epiloog heeft teruggebracht tot ‘een samenhangend geheel van dertig pagina’s, waarvan de eerste vijfentwintig heel goed zijn’. Weschler, streng over het te herschrijven deel: ‘Vijf pagina’s, geen vijftig – vijftig is erger dan onbruikbaar – vijf pagina’s, Oliver!’

Zonderling

Dan is er de originele vorm van het boek, die bestaat uit chronologisch aan elkaar geregen fragmenten uit zijn aantekeningen, uitgewerkte interviews en hun onderlinge correspondentie. Wat misschien lui klinkt, maar fantastisch werkt. Of Sacks nu vertelt over de filosofen die hij leest, zijn boeiendste patiënten of zijn liefde voor amfibieën, zijn stem klinkt levendig en schijnbaar ongefilterd op van het papier. Hij lijkt haast aanwezig bij hun gezamenlijke uitstapjes. Terwijl elders vrienden en collega’s hun visie op Sacks’ werk en persoonlijkheid geven. Bezielde blikken van buitenaf zijn dat vaak.

Oliver Sacks, bij de Weschlers thuis, jaren '80

Zeker ook die van Weschler zelf, die volop oog heeft voor de briljante geest en aanstekelijke nieuwsgierigheid van zijn onderwerp, maar hem ook liefdevol neerzet als een zonderling. Iemand die de etensresten van de borden van zijn patiënten at, beweerde te fantaseren over seks met nijlpaarden en grote moeite had met zoiets simpels als het organiseren van een verjaardagsfeestje. En die zich misschien mede daarom zo meesterlijk kon verplaatsen in de ‘gevallen’ die hij beschreef.

'Iedereen die zijn aantekeningen leest, ziet dat hij de patiënten anders bekijkt,’ zegt een verpleegster met wie hij in de jaren zestig werkte. ‘De aantekeningen van de meeste consulterend geneesheren zijn droog en kort, gericht op het probleem. Bij hem wordt de gehele persoon zichtbaar.’ Lawrence Weschler presteert bij de dokter feitelijk precies hetzelfde.

Titel
En hoe gaat het met u, dokter Sacks?

Uitgeverij
Uitgeverij de Bezige Bij

Auteur
Lawrence Weschler

Vertaling
Luud Dorresteijn en Nicole Seegers