Nick Hunt bezocht Europese gebieden waar de wind een onuitwisbare invloed heeft. Het boek dat hij erover schreef, Waar de wind waait, is een kruising tussen een reisverslag en een cultuurgeschiedenis.

Als er geen authentiek ogende website was en er op Tripadvisor geen jubelreacties van andere bezoekers stonden, dan zou je haast gedacht hebben dat Nick Hunt (1981) het Museo della Bora (museobora.org) zelf had verzonnen.

Op een avond komt hij er terecht, vertelt de Brit in zijn fascinerende Waar de wind waait. In dat thematische curiositeitenkabinet in het havenkwartier van Triëst, waar conservator Rino Lombardi je op afspraak graag langs zijn collectie leidt. Een verzameling gewijd aan wind in het algemeen en de bora in het bijzonder. Die kille valwind die vanaf de Balkan-hoogvlakte over de Adriatische Zee en het kustgebied tussen Dubrovnik en Triëst stormt.

Hunt ziet er van alles. Een uitgebreide bibliotheek. Krantenfoto’s van omvergeblazen auto’s en trams. Antieke waarschuwingsborden en anemometers. Een door wind aangedreven apparaat, de Sloveense
klopotec, dat door middel van (inderdaad) kloppende geluiden dienstdoet als vogelverschrikker. Of een van de zogenoemde boratouwen die in de Italiaanse stad op straathoeken hangen, zodat door zijn Beaufortgeweld geteisterde burgers zich eraan kunnen vastklampen.   

‘Maar het vreemdst en het mooist was een glimmende vitrine vol “buitgemaakte winden”.’ In meer dan 150 flesjes, flacons en tupperwaredoosjes liggen ze daar: opgevangen vleugjes van een sirocco uit Rome, een Toscaanse tramontane of een mistral uit de Provence. De schatkist van ‘een meteorologische GVR’.

Klinkt als een wat kitscherige gimmick? Toch is het een behoorlijk
treffende metafoor voor wat Hunt in zijn boek doet. Letterlijk en figuurlijk gegrepen door wind werd hij naar eigen zeggen al op zijn zesde, toen hij de Grote Storm van 1987 meemaakte, er zelfs even door van de grond werd getild en zich voorstelde dat hij was meegevoerd naar Ierland, Frankrijk,
Amerika …

Dat zweefmoment wakkerde een onstuitbare drang tot reizen aan, ‘liefst te voet, wat je de kans geeft routes te volgen die niet worden gedicteerd door wegen of spoorlijnen’. En nadat hij op een dag stuitte op een kaart van Europa vol ‘klauwende pijlen’ die de routes aangaven van streekwinden met-een-naam, besloot hij daar vier van te bewandelen.

Een bonte collectie persoonlijke indrukken, gesprekken, wetenschappelijke feiten en citaten, fabels en verhalen, als een compendium van hoe het was én is om met die winden te leven.

Föhnkrankheit

Hunt koos naast de bora voor het enige Britse exemplaar, de helm in Cumbria, de door de Zwitserse Alpen blazende föhn en de Zuid-Franse mistral. Waarna hij met Waar de wind waait een kruising schreef tussen een klassiek reisverslag (inclusief berghutjesgeluk en kampeermisère) en een hoogst originele oefening in cultuurgeschiedenis.

Een bonte collectie persoonlijke indrukken en gesprekken met plaatselijke bewoners, wetenschappelijke feiten en citaten, fabels en verhalen uit literaire en historische bronnen, als een compendium van hoe het was én is om met die winden te leven. Of te móéten wonen. Want daarover lopen de meningen begrijpelijkerwijs nogal uiteen.

Neem de föhn. Aan de ene kant is die droge, warme wind een aankondiger van de lente. (Of, zoals Herman Hesse schreef, het zuiden ‘dat zich altijd weer stormachtig laaiend aan de borst van het stuggere, armere noorden werpt en laat weten dat aan de nabije purperen meren van Italië de primula’s, narcissen en amandeltakken alweer bloeien’.) Boeren noemen hem liefkozend Traubenkocher en Maisvergolder, vanwege zijn gunstige invloed op hun
gewassen. En de Zwitsers zijn er dusdanig mee vergroeid dat ze hem zelfs een saillante bijrol gaven in hun ontstaansmythe, het verhaal van Wilhelm Tell.

Maar onaangenamere kanten heeft de föhn beslist ook. Zo bestond er lang een föhnwacht die over straat patrouilleerde om, bijvoorbeeld, sigaretten in beslag te nemen, aangezien elk vonkje erdoor kan worden aangewakkerd tot een verwoestende brand. En blootstelling eraan kan klachten als angsten, depressies, prikkelbaarheid en uitputting veroorzaken, symptomen van Föhnkrankheit.

Aeolus

Typerend: Hunt stuit op een paard dat in zijn wei een windgerelateerd vreugdedansje lijkt te maken én op een oudere heer die bij het horen van de naam maar één woord uitbrengt: ‘Schlecht.’ (En met allebei is de wandelaar het op bepaalde momenten eens.)

Dergelijke korte ontmoetingen zijn een van de aardigste elementen van dit boek, resulterend in trefzekere portretjes van stoïcijnse schaapherders, kibbelende echtparen en een ronddolende heksenjager. (Lang verhaal.) Zoals ook landschappen en steden in beeldend proza worden gevangen, en hij er bovendien in slaagt je ‘zijn’ winden als het ware te laten horen en voelen.

Ook veel historische anekdotes zijn de moeite waard. Die over de Reivers, bijvoorbeeld, roverbendes die ooit door het onherbergzame decor van de helm trokken en een Schotse aartsbisschop in 1525 een tirade van meer dan
duizend woorden ontlokten. (‘Ik VERVLOEK hun hoofd en al het haar op hun hoofd; ik VERVLOEK hun gezicht, hun ogen, hun mond…’) Of J.M.W. Turner die zich op zijn 76ste aan de brug van een schip liet vastbinden om zijn spectaculaire Snow Storm – Steam-Boat off a Harbour’s Mouth (1842) te kunnen schilderen.

En de meteorologische mechanismen achter, pakweg, de stiltegordel dist hij even soepeltjes op als het mythologische verhaal van Aeolus, bewaarder van de winden, die hij in een grot verzamelde, voordat hij ze met rampzalige gevolgen aan Odysseus schonk.

Met die bewaarder vergelijkt hij Rino Lombardi van het Museo della Bora, met diens vitrine vol winden, waarvoor hij schenkers van over de hele wereld beloont met een getuigschrift dat ze uitroept tot ambasciatore eolico, ‘ambassadeur van de wind’. Een eretitel die Hunt na dit boek ook ruimschoots verdient.