In de zesdelige VPRO-serie 'De grens' vertelt schrijver Tommy Wieringa de verhalen achter en rondom Neerlands grillige grenzen. ‘Er is zoveel te vertellen dat half overwoekerd is, en dat je nog net tevoorschijn kunt halen.’

De rafelranden van Nederland, zo noemt Tommy Wieringa de grensstreek die hij in de televisieserie De grens (regie Tomas Kaan) bereist. Grenzen zijn grillig en zelden logisch. Hun loop werd bepaald door oorlogen, politiek gemarchandeer of natuurlijke elementen. De verhalen achter en rondom die grenzen vertelt Wieringa in zes afleveringen. Hij stapte in zijn oude Mercedes en begon aan een reis door eigen land, die behalve mooie plaatjes ook verrassende ontmoetingen opleverde. In Brabant treft hij broers en zussen die door Belgische enclaves niet dezelfde nationaliteit hebben. In Limburg zoekt hij de laatste esperantisten op, die nog altijd bijeen komen in het voormalige neutrale staatje Moresnet, bij Vaals. In Zeeland leert hij iets begrijpen van de sentimenten over de Hedwigepolder.
Wieringa toont zich een begeesterde gids, die moeiteloos de juiste toon weet te vinden bij de wonderlijke figuren die soms zijn pad kruisen. Hij is zichtbaar in zijn element buiten de Randstad, en de badinerende ondertoon die veel programma’s over de provincie kenmerkt, ontbreekt in De grens.
‘Ik ben de provincie,’ zegt hij oprecht verbaasd wanneer we hem deze constatering voorleggen. ‘Ik zou de provincie eerder verheerlijken, vanwege de traagheid en een minder hinderlijk aanwezig zelfbewustzijn. Of in elk geval het overzelfbewustzijn dat in het westen zo sterk aanwezig is. Dat mensen zo weinig bescheiden maakt, en zo groot. Zoals Menno Wigman dat noemt: “Waar het ego ego kraait.”’

Hoe goed kent u Nederland?
‘Ik speel rugby in Dwingeloo. Mijn moeder woont in Groningen. Ik ben opgegroeid in Drenthe, Twente en Groningen. Mijn Wanderjahre speelden zich door heel Nederland af. Bovendien rijd ik bijna 35.000 kilometer per jaar, voor optredens in alle uithoeken van het land. Van Cadzand tot Winschoten lees ik voor. Dus ik ken Nederland tamelijk goed. Het contact met mensen is niet iets waarvoor ik mijn best hoefde te doen. Dat is ook het prettige van research doen voor boeken, dat je allerlei mensen zomaar kunt spreken. Dan blijkt dat ze het te gek vinden om iets gevraagd te krijgen. Heel veel mensen zitten eigenlijk hun hele leven te wachten op een vraag, maar niemand stelt ze die ooit.’

Nu had u een mooi alibi?
‘Ja, al dit is natuurlijk een soort functionele belangstelling. Als ik voor een boek of een artikel iemand interview, ga ik aan de keukentafel zitten en stel maar heel soms een vraag. Soms blijf ik vier uur aan die tafel zitten en maak er dan een stukje van. Maar als je met een cameraploeg binnenvalt, al is het nog zo’n klein ploegje, dan ben je een soort paratroeper die op de gebeurtenissen wordt neergelaten. Omdat ik in het begin ook niet wist wat ik aan het doen was, begon ik dan een heel omslachtig gesprek om langzaam meanderend tot een bepaald punt te komen. Dat bleek niet de bedoeling. Je moet recht op je doel af.’

Was dat moeilijker dan u dacht?
‘Die functionele belangstelling is wel iets dat me soms een beetje opportunistisch voorkomt ja. Je schudt mensen leeg en verdwijnt weer. Dat heb ik onder andere omstandigheden, zonder camera, niet. Tegelijkertijd geeft die camera een soort urgentie. Televisie heeft een veel hogere temperatuur dan wat ik gewoonlijk doe. Dat is ook wel weer aantrekkelijk.’

Wat bedoelt u daarmee?
‘Dat je als een hyena meteen de beste stukken moet grijpen. Je kunt niet dralen. Als ik iets journalistieks onderneem, ben ik heel inefficiënt. Dat is mijn methode, inefficiëntie. Een beetje hangen en kijken.’

Zo’n programma presenteren is natuurlijk een heel ander metier. Hoe beviel dat?
‘In de camera praten is heel lastig, want je kijkt nergens naar. Het lijkt alsof je iemand aankijkt, maar je tuurt in zo’n star, dood oog. Om dan toch te doen alsof er iemand voor je staat, voelt heel gekunsteld. Dat ongemak moest ik overwinnen. Verder had ik in het begin de neiging om stiltes een beetje dicht te mompelen. Gaandeweg kom je erachter dat je helemaal niks hoeft te zeggen. Hoe minder hoe beter. Net zo lang tot de geïnterviewde denkt: waarom zegt die man niks? Vaak komt dan het beste antwoord. In Groningen praat ik met Engel Modderman, een van de laatste communisten van het Oldambt. Er valt een hele lange stilte en dan zegt hij iets heel moois. Dan voel je dat je beet hebt.’

Op het platteland reageren mensen misschien ook wat minder panisch als er een stilte valt.
‘Wat die stilte heel erg in de hand werkt, is dat ik vooral in omgevingen was, waar je ook wat te kijken had. Waar je verre einders had, horizonnen ver weg. Een beetje filosofisch staren, dat kan daar. In de stad is er voortdurend iets in je blikveld. Overal zijn mensen. Je leeft er als een zenuwachtig dier. Zoals [de Roemeense filosoof] Emil Cioran zegt: “Overal bots je wel op iets menselijks. Een weerzinwekkende alomtegenwoordigheid die je verbijstert en opstandig maakt.”’

Is de gedachte dat het volk in die grensstreek echt een ander volk is een romantisch idee of is dat echt zo?
‘Het heeft vooral te maken met de hoeveelheid ruimte die mensen omringt. Ik heb veel met mensen gesproken die onbegrensd om zich heen konden kijken. Die fysieke ruimte hoort bij de grensstreek. Dat levert vanzelfsprekend andere mensen op. In Drenthe zit ik met een boer bovenop zo’n landbouwmachine over het land te kijken. Ik vraag hem of hij het mooi vindt. Daar moet hij even over nadenken, want hij denkt nooit aan zijn omgeving in zulke termen. Het is hem zo vertrouwd, maar hij vindt het toch mooi, zegt hij na een stilte.’

Welk landschap is u het meest dierbaar?
‘Het coulissenlandschap van Twente vind ik heel erg mooi. Achter elke houtwal ligt een belofte. Dat bevalt me zeer. En het uiterwaardenlandschap. Dat ontroert me.’

Waarom?
‘Ik zat op een school waar de IJssel vlak langs stroomde. In de pauzes gingen we wel eens zwemmen in de kribben. Op een dag ben ik achter een paar ouderejaars aan naar de overkant gezwommen. Dat was een soort initiatierite voor me. Zodra je de IJssel passeert, kom je in een ander land. Ook wat mensen betreft.’

In welk opzicht?
‘Als je de IJssel oversteekt naar het westen, kom je in het land waar altijd iets moet, waar altijd iets te doen is. Achter de rivier heerst een vrolijk soort anarchisme. Er kan meer: van rooie diesel tanken tot en met stropen. Het vrije land. Dat is geen romantiek maar een feitelijke omstandigheid. Er hangen daar natuurlijk ook camera’s en er is controle, maar tegelijkertijd staat het nog niet zo onder toezicht als in het westen. Het is in de Randstad heel moeilijk om een onbespied stukje grond te vinden.’

Dat is een benauwende gedachte voor u?
‘Ja, zeker. Dat de overheid via satellieten meekijkt met wat je hier achter je huis neerzet, dat vind ik afschuwelijk. Ik hou ook heel erg van de Belgische koterij, dat gerommel achter die huizen. Dat praktisch anarchisme. Maar goed, ik woon in de polder boven Amsterdam. Wel een weids landschap, maar met de biodiversiteit van een chloorbad.’

Heeft u nog plekken leren kennen die u verrast hebben?
‘Zeeland. De Zeeuwse en de Groningse klei, dat is dezelfde vettige, glimmende klei. Het voelt ook heel zwaar. Taai, kleverig, maar ook wonderlijk zacht. Bijna crème. Die Hedwigepolder is een bespottelijk klein stukje grond, er staan maar een paar huisjes in. Het gaat werkelijk nergens over. Maar tegelijkertijd is het zo voorstelbaar, want het is prachtige grond. Als je daar rondrijdt en je ziet het nazomerzonnetje over dat land strijken, en die lange rijen populieren tot aan de einder, dan leer je wel iets begrijpen van het sentiment dat met het verlies van die polder samenhangt. Laat ze goddomme met hun poten van onze grond afblijven; ze hebben die meter voor meter aan de zee ontworsteld. Terwijl ik vanuit de verte dacht: laat die Zeeuwen ophouden met dat gezeur. Maar als je op die dijk staat, is het plots een stuk begrijpelijker.’

Had u niet liever de grenzen van Tadzjikistan verkend?
‘Absoluut niet. Europa houdt nooit op je te verbazen. Het is zo’n geweldig continent. Dat geldt ook voor Nederland, als klein onderdeel van Europa. Er is zoveel te vertellen dat half overwoekerd is, en dat je nog net tevoorschijn kunt halen. Ik heb een vrouw gesproken van 104 jaar oud, die vertelde hoe ze de dodendraad nog had horen zingen. Die draad is in de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers gespannen over een lengte van 180 kilometer, van Vaals tot Cadzand. Er stond 2000 volt op, en hij was bedoeld om spionage, smokkel en desertie mee tegen te gaan. Talloze mensen zijn er in blijven hangen omdat ze toen nog nauwelijks wisten wat elektriciteit was. Na de oorlog hebben boeren dat spul uit de grond getrokken en gebruikt voor hun omheiningen, dus je vindt er niets van terug. Maar dan legt zo’n vrouw van 104 haar oude rimpelige handje in jouw hand, en je voelt hoe je daarmee de geschiedenis tot diep in de vorige eeuw aanraakt.’

Smaakt televisie maken naar meer?
‘Ik vond het bijzonder om te doen. Maar dat hele vlugge, dat ligt me niet. Ik ben toch echt een hanger, een kijker, een loerder en een mompelaar. Dat je zo snel terzake moet komen, heeft iets onbeleefds. Ik ga nu eerst weer een boek schrijven. Deze serie heb ik alleen kunnen maken omdat ik boeken schrijf. Anders was er geen reden geweest om mij hiervoor te vragen.’

Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die zeggen: alweer zo’n schrijver die zo nodig een reisprogramma moet presenteren.
‘Dat is een terechte gedachte, die even waar is als onwaar.’

Waarom onwaar?
‘Omdat niet iedereen in staat is een gedachte of een ingeving meteen helder te verwoorden. Het is niet voor niets dat ze daar soms schrijvers voor vragen, die tenminste persklaar kunnen praten. Dus laat ze er goddomme afblijven!’

Heeft u getwijfeld of u dit programma wel moest maken?
‘Ja, natuurlijk.’

Waar was u bang voor?
‘Er zijn wel eerder programma’s geweest waar ik voor gevraagd werd. Komrij zei eens iets heel verstandigs: de televisie zet je een fopneus op. Die fopneus, daar ben ik me heel erg van bewust. Die pijnlijke zelfvergroting. Je bent bij al die mensen in de huiskamer, dat is een wat vulgaire vermeerdering van jezelf. Ik ben daar ambivalent over. Maar dit onderwerp paste me zo goed. Avontuur associeer je met verten, maar hoe dichterbij je blijft en hoe beter je daar gaat kijken, hoe groter het avontuur wordt.’

Afl. 1: De grens in Drenthe – Onder anarchisten Nadat Duitse kolonisten de woeste veengrond ontgonnen hadden, is dwars door het moerassige laagveen met een pennenstreek een kaarsrechte grenslijn getrokken. Langs deze lijn bereist Wieringa de grens tussen Drenthe en Duitsland. (zondag 24 februari)

Afl. 2: De grens in Zeeland – De verkeerde kant van de grens De grens van Zeeuws-Vlaanderen ligt deels in de Westerschelde. Hier heeft de strijd tegen het water de mensen gevormd. Een reis langs verdwenen dorpen, of dorpen die op het punt staan te verdwijnen. Hoe moet je leven met de eeuwige dreiging van het water, of onteigening vanwege ‘natuurcompensatie’? (zondag 3 maart)

Afl. 3: De grens in Brabant – De laatste grenswacht In Castelré ontmoet Wieringa broers en zussen die door de Belgische enclaves in Brabant allen een andere nationaliteit hebben. In de Eerste Wereldoorlog waren deze enclaves broeinesten van smokkel en spionage. Nog altijd is de grensstreek favoriet terrein voor stropers, dieven en smokkelaars. (zondag 10 maart)

Afl. 4: De grens in Gelderland – Die Liebe war Schuld daran Via Elten, Lobith en de Rijn reist Wieringa Duitsland in, een streek waar de mensen soms zelf vergeten welke nationaliteit ze hebben. Gebieden die na de Tweede Wereldoorlog door Nederland werden geannexeerd en later weer voor veel geld aan Duitsland werden verkocht. (zondag 17 maart)

Afl. 5: De grens in Limburg – Het vergeten land Wieringa reist langs de zuidelijkste grens van Nederland. Langs smokkelactiviteiten bij het ‘gat in de grens’ en een verzoenende wielerronde tussen Duitsers en Limburgers. Hij ontmoet de laatste ideële esperantisten die nog altijd bijeen komen in het voormalige neutrale staatje Moresnet bij Vaals. (zondag 24 maart)

Afl. 6: De grens in Groningen – Het laatste huis van Nederland In Oost-Groningen luistert Wieringa naar de laatste communist. Bij de laatste barak van werkkamp De Beetse vertelt de zoon van een NSB’er over zijn internering daar. En helemaal in het noordelijkste puntje van de provincie staat het laatste huis van Nederland. (zondag 31 maart)