Als ik aan de Indiase schrijver Narayan denk, zie ik hem tegenover een ezel staan in de dierentuin van New York. Het dier mag er eenzaam en exotisch achter de tralies staan, terwijl zijn soortgenoten in India worden mishandeld als lastdier.

In zijn essay The Train Had Arrived At Malgudi Station beschrijft de Indiaas-Amerikaanse essayist Ved Mehta over het verblijf van R.K.Narayan in New York. De schrijver voelt zich er nogal verloren. Hij komt uit het zuiden van India en is op dat moment een van de belangrijkste schrijvers van zijn land. Begonnen met schrijven omdat dat het enige beroep was dat je in staat stelde volkomen vrij te zijn. ‘Op een zekere dag in september, gekozen door mijn grootmoeder vanwege het goede gesternte, kocht ik een schoolschriftje en schreef de eerste zin van een roman,’ schrijft Narayan in zijn autobiografie My Days.
 
Die romans zouden zich allemaal afspelen in een fictief Zuid-Indiaas stadje, Malgudi geheten. ‘Terwijl ik in de kamer op mijn pen zat te kauwen, nadenkend over wat ik zou schrijven, zweefde Malgudi, met z’n kleine station, me ineens voor ogen, helemaal kant en klaar.’ Voortaan zou die stad het decor vormen van zijn boeken, die altijd de gewone man tot onderwerp hebben, gaan over menselijke relaties, universeel in hun verbeelding van het dagelijks leven.
Ved Mehta had hem altijd al willen ontmoeten, maar was er nooit toe gekomen hem op te zoeken. In India woonden ze te ver uit elkaar, maar in New York bleek de afstand aanmerkelijk overzichtelijker.
 
Mehta beschrijf in zijn essay een etentje bij de Indiase schrijfster Santha Rama Rau die in Amerika was getrouwd met schrijver Faubion Bowers. Narayan werd gevraagd wat hij had gedaan die dag. Hij was naar de dierentuin geweest. Wat was het meest opmerkelijke dat hij had gezien? ‘Een ezel,’ antwoordde hij. Zo bijzonder is dat toch niet? Ze hebben in de New York Zoo alle exotische dieren uit de hele wereld. Narayan vertelde dat het hem daar nu juist om ging. Slenterend langs alle verblijven met exotische dieren kwam hij ineens langs die ezel, een Indiaas exemplaar. Thuis zag je dat type ezel op elke straathoek, misbruikt als lastdier, de onderste sport van de ladder van geboorte en wedergeboorte, en hier in de dierentuin waren de rollen ineens omgedraaid. Hier was de huis- tuin- en keukenezel ineens een exotisch dier. Hij stond er keurig verzorgd bij, in een ruim verblijf, ver van de mishandeling die zijn soortgenoten in zijn thuisland moesten verdragen. ‘Alleen was de ezel nogal ongelukkig. Hij duwde met zijn neus steeds tegen het slot van het hek… Ik denk dat ik hier een fabel over ga schrijven voor Harper’s. Zullen ze dat willen hebben denk je?’
 

Hij schreef de fabel niet, maar dat beeld van die twee ontheemde wezens die in een New Yorkse dierentuin naar elkaar staan te kijken, dat blijft je bij.