Over de opiumhandel in de negentiende eeuw, en de twee daaruit voortvloeiende opiumoorlogen, is nauwelijks geschreven. Amitav Ghosh doet het in zijn indrukwekkende epische roman 'Zee van papaver'.

‘Sta er eens even bij stil hoe vreemd dat is,’ roept de Indiase schrijver Amitav Ghosh (1956) uit. ‘Hoeveel boeken zullen er in Holland niet over tulpen zijn verschenen? Planken vol!’ Maar over de opiumhandel die in zijn indrukwekkende epische roman Zee van papaver een centrale rol speelt wordt nog steeds nauwelijks geschreven. Laat staan over de twee daaruit voortvloeiende opiumoorlogen, tussen 1839 en 1842 en 1856 en 1860. ‘In India kregen we er op school niets over te horen en zelfs historici houden zich er nauwelijks mee bezig. Terwijl al die opium uit óns land kwam en het de belangrijkste handelswaar van de negentiende eeuw was. Van doorslaggevend belang in de geschiedenis van het kapitalisme en het kolonialisme. De Britse handelaren die hun regering ertoe aanzetten China de oorlog te verklaren, omdat dat land een eind wilde maken aan de invoer van dat verslavende gif, zeiden niet voor niets dat the Empire anders ten dode was opgeschreven. De koloniën waren stomweg te kostbaar zonder die inkomstenbron.’
En die strijd werd uiteraard gevoerd in naam van de vrijheid en de vrije handel. ‘Ik realiseerde me tijdens mijn research steeds meer dat dat een aspect is van een bepaalde westerse mentaliteit. Er wordt heel veel gepraat over ethiek en ethisch gedrag, maar dat gebeurt bijna altijd om verschrikkelijke dingen te verbergen. De handelaren uit de periode waarover ik schrijf waren vaak enorm vrome protestanten die hun mond vol hadden van God, de verbetering van de wereld en de vooruitgang. Goed en kwaad, het brengen van beschaving, enzovoort, enzovoort. Terwijl ze ondertussen miljoenen mensen de vernieling in hielpen.’ De schrijver zucht.

Melville
‘Het is zo’n duister en lelijk verhaal. En het deprimerende is dat het zich maar blijft herhalen. Kijk maar naar de oorlog in Irak. De parallellen zijn verbijsterend. Inmiddels zien de meeste Amerikanen wel dat die oorlog een ramp is, maar er blijft een gigantisch vermogen bestaan tot zelfbedrog en zelfrechtvaardiging. Zelfs nu mensen zeggen: ja, er zijn wel een paar dingen fout gegaan, maar het was een goed plan. En die Saddam hebben we toch maar mooi uit de weg geruimd.’ Die link met het heden is ongetwijfeld een van de grote krachten van Ghosh’ roman. Maar die was nauwelijks in hem opgekomen toen hij vier jaar geleden begon aan het verhaal van een bonte verzameling uitgestotenen en veroordeelden die in 1838 aan de boord gaan van het zeilschip de Ibis dat van India op weg is naar China, met een tussenstop in Mauritius. Hij wilde vooral schrijven over hoe zijn landgenoten destijds over de wereld verspreid raakten. Over de personages die zich als vanzelf aandienden: de Amerikaanse slavenzoon en zeeman Zachary, de naïeve radj Neel die zijn fortuin kwijtraakt en naar een gevangeniskolonie wordt verscheept of de Indiase vrouw Deeti, die als haar opiumschuivende echtgenoot overlijdt moet vluchten om niet geofferd te worden, en talloze anderen. En over het onweerstaanbare zeemansbestaan.
‘Ik ben altijd dol geweest op zeeverhalen en ben een bewonderaar van Melville,’ zegt hij, ‘een van de grootste schrijvers aller tijden, die bovendien van alle westerse schrijvers uit die tijd misschien wel het meest openstond voor exotische werelden en andere gezichtspunten.’
Dat Melville die op zee vond, is geen wonder. ‘Als je naar de lijst van bemanning en opvarenden van een willekeurig schip in de negentiende eeuw kijkt, zijn de officieren Europees, de bemanning komt grotendeels uit alle uithoeken van Azië, de zogenaamde laskar. Er zijn koelies en veroordeelden aan boord, slaven en edelmannen. Kortom: het is een samenraapsel van mensen van over de hele wereld, allemaal samengebracht op dat geconcentreerde universum van een boot.’

Zeilschip
Dat universum roept Ghosh in Zee van papaver prachtig op. Met al zijn avontuurlijkheid, verveling en ontberingen. ‘Ik heb ter voorbereiding meegevaren op een zeilschip in de Cariben, wat opwindend, beangstigend en een van de geweldigste ervaringen van mijn leven was. Het gevoel van het water. De totale stilte zonder het geronk van een motor en de beweging die totaal anders voelt dan de mechanische bewegingen die je gewend bent.
Het interessante van zeilen als technologie is ook dat het niet werkt zonder taal. Als de kapitein een commando roept, moet een man of veertig dat meteen opvolgen. Daarom is een zeilboot in wezen een drijvend lexicon: elk onderdeeltje heeft een naam. Daarom begon ik me al gauw af te vragen hoe dat ging met al die Aziatische zeelui. Hoe communiceerden die Europeanen daarmee? Gaandeweg begon ik te vermoeden dat er zoiets als een woordenboek van het laskaars moest bestaan. En op een dag kwam ik die, zonder er ooit een verwijzing naar te hebben gezien, tegen in een bibliotheekscatalogus. Een ontzettend opwindend moment was dat!’ Zeker ook omdat de ‘enorme veeltaligheid van Azië’ perfect weerspiegeld bleek te worden in hun pidgintaal: ‘Er zat Portugees in, Duits, Nederlands, Engels, Frans, Maleis, Hindoestaans, Chinees, Arabisch… een geweldige smeltkroes van woorden.’

Opgescheept
Dat hij die woorden goeddeels onvertaald liet, lijkt misschien een recept voor onleesbaarheid. Maar, zegt hij terecht, de meeste worden door de context vanzelf verklaard. ‘En taal werkt in een roman nu eenmaal anders dan in een journalistiek stuk. Het moet ook een sfeer oproepen, mensen plaatsen, vervreemden… Het is het verschil tussen taal als het geluid van een gong die je vertelt dat je ergens heen moet of de pauze van een theaterstuk is afgelopen – pure informatieoverdracht – en taal als vioolmuziek.’
Zee van papaver had dan een zwaar en somber concert kunnen worden, beaamt Ghosh. ‘Als je die logboeken leest die ik vond in het Maritieme Museum in Greenwich… Dertig, veertig mannen die vier jaar lang met elkaar opgescheept zitten. Zij en de zee, verder niets. Soms hebben ze het heel druk, maar meestal vervelen ze zich te pletter. Het eten is vreselijk. Ze slapen in overvolle ruimtes, waarbij de hangmat van hun bovenbuurman letterlijk tegen hun neus hangt. Ze worden vaak afgeranseld. En om de dag gaat er wel iemand dood. Mensen vallen in het water en het schip kan niet terug, want het duurt zeker een uur of twee om te keren. Man overboord betekent: bye bye. Het was een krankzinnige wereld, eigenlijk.’

Trilogie
Maar toch levert het geen deprimerend boek op. ‘Europese opvarenden verbaasden zich er destijds al over dat de koelies en laskar ondanks alles voortdurend lachten en zongen. Maar als je, zoals ik, de armste delen van India kent, weet je dat het leven nu eenmaal niet zo simpel is. Niemand lijdt 24 uur per dag. Hoe vreselijk hun omstandigheden ook zijn, mensen vinden altijd dingen om van te genieten of om over te lachen.’ Deze kloeke roman schrijven was ook een genot, trouwens. Zozeer zelfs dat hij al gauw besloot dat deze het eerste deel van een Ibis-trilogie moest worden. ‘Zodat ik zo lang bij dingen stil kan staan als ik wil. Bij maaltijden en kleding, landschappen en geluiden. Niemand zal mijn boeken oppakken om zo snel mogelijk van punt a aan naar punt b te komen. Ze draaien om het plezier van het lezen, van de reis. The exquisite pleasure of experience.’
En dat hij de komende tien, vijftien jaar aan die trilogie zal werken, beschouwt hij eerder als een opluchting dan een opgave. ‘Als je een boek afsluit, is het feit dat je je personages los moet laten, althans voor mij, een bijna traumatische ervaring. Op deze manier kan ik nog heel lang met ze leven. Zien wat het leven hen brengt, wat er met hun kinderen en kleinkinderen gebeurt. Met ze omgaan alsof ik onder vrienden ben.’

Amitav Ghosh: Zee van papaver (oorspr.: A Sea of Poppies, vertaling Joop van Helmond, uitgever bij De Bezige Bij)