Een hippiecommune in het Australische Queensland, waar Peter Carey in de jaren ’70 een bevoorrecht leven leidde, is het decor van zijn nieuwe roman 'Zijn verborgen bestaan'.

‘Ik ben niet zo’n schrijver die honderd ideeën op de plank heeft liggen,’ zegt Peter Carey (1948), auteur van tien romans, waarvan er twee, Oscar and Lucinda (1988) en True History of the Kelly Gang (2001), ooit de Booker Prize wonnen. ‘Als ik geluk heb, heb ik er één. En meestal denk ik als ik net een manuscript heb ingeleverd, dat ik daarna nooit meer iets zal schrijven.’
De bron lijkt altijd opgedroogd, materiaal haast onvindbaar schaars.
Voor zijn ontroerende en subtiel suspensevolle nieuwe roman Zijn verborgen bestaan had de Australiër aanvankelijk dan ook niet meer dan dit: ‘een beeld van een vrouw en een jongetje die op een weg liepen, een storm tegemoet’, en een decor.
‘Bij mijn vorige boek, Theft, a love story (2006), ontdekte ik namelijk het enorme plezier van schrijven over een plek uit mijn eigen verleden. Want de uithoek van New South Wales waar ik mijn hoofdpersonen toen terecht liet komen, daar heb ik zelf gewoond. Dat huis dat ze vernielen, daar was ik dol op… the bastards! Gaandeweg realiseerde ik me hoeveel details ervan ik me nog herinnerde. Ik woonde inmiddels zestien jaar in New York, en dacht dat ik dat allemaal kwijt zou zijn. Een heel opwindend gevoel, dat je een locatie na zoveel jaar mentaal opnieuw kunt bewonen.’
En dus keerde de locatiescout Carey in zijn hoofd terug naar de hippiecommune in Queensland, waar hij in de jaren ’70 een tijdje een bevoorrecht leven leidde. ‘’s Morgens schreef ik, en ’s middags tuinierden we wat of liepen door dat prachtige, regenwoudachtige landschap naar een nabijgelegen strand. "Een paradijs was het. ‘Ook omdat niemand je ooit vroeg wat je deed. Je was er, en dat was genoeg."

Cocaïnesmokkelaar
‘Op een dag, en die anekdote had ik al sinds 1977 in mijn hoofd, dook er een Amerikaan op die een belachelijk achthoekig huis kocht, zo lek als een mandje en al jaren verlaten. En die gozer begon binnen de kortste keren marihuanaplanten op zijn oprit te planten… Je wist meteen: jij hebt geen idee waar je bent beland. Je denkt dat dit dan de rand van de wereld is – en zo ziet het er ook uit -, maar het is óók een plek die je zonder overdrijven een politiestaat kunt noemen. Er liepen voortdurend smerissen rond die ons lastigvielen. Natuurlijk plantten mensen er dope, maar dat deed je ergens in de bush. Niet op je veranda!’
Het verhaal nam daarna trouwens een reeks bizarre wendingen. Na een grootscheepse politie-inval met helikopters bleek de man, die op dat moment in het plaatselijke ziekenhuis lag om galstenen te laten verwijderen, een voortvluchtige cocaïnesmokkelaar te zijn. Carey en zijn vrouw reden, nadat hij was gearresteerd, met een zak vol muntjes langs telefooncellen in een belachelijke poging zijn advocaat in Galveston, Texas te bereiken. En uiteindelijk belandde hun ‘gast’ eerst in een gevangenis in Brisbane, om vervolgens te worden uitgezet naar Amerika en, naar het schijnt, zich te bekeren tot het christendom.
Hij vertelt het met smaak, maar drugssmokkelaars met galstenen zul je in Zijn verborgen bestaan niet tegenkomen.
De commune werd in zijn verbeelding het toevluchtsoord van de Amerikanen Dial en Che. Zij is een aanhangster van de extreemlinkse actiegroep Students for a Democratic Society (sds), hij het achtjarige zoontje van twee leden van de harde, aanslagen plegende kern daarvan. Dial zou hem oorspronkelijk van het huis van zijn grootmoeder, een welgestelde New Yorkse en zijn voogdes, naar Philadelphia brengen voor een clandestien bliksembezoek aan zijn mysterieuze moeder. Maar als mams het slachtoffer wordt van een zelf in elkaar geknutselde bom, moet ze ineens als kidnapster onderduiken waar niemand haar zal vinden. Aan de rand van de wereld die Queensland heet.

Sprookjeswereld
Carey schets de politieke achtergrond met vaste, mild satirische hand. ‘Ik ken dat milieu. Ik sympathiseerde met de sds en veel van mijn vrienden waren er rechtstreeks bij betrokken. Maar het was destijds nooit bij me opgekomen dat de leiders eigenlijk allemaal behoorlijk welgestelde meisjes en jongens waren. Achteraf gezien lijken ze me nu vooral verwend, driftig en rijk. Als je er geen enkele interesse in hebt om dingen te organiseren buiten de campus van Harvard, terwijl jouw gewelddadige acties zogenaamd de Revolutie moeten kickstarten, dan leef je in een sprookjeswereld.’
Maar meer nog dan ‘de wateren van politiek, morele keuzes en de samenleving van de jaren zeventig waar ze in zwemmen’ was het hem te doen om die vrouw en dat jongetje. Hoe zij, nadat Che geleidelijk aan heeft ontdekt dat Dial niet, zoals hij aanvankelijk denkt, zijn moeder is, toch naar elkaar toe groeien. Ondanks heftige strubbelingen, in een omgeving die voor hen een nachtmerrie is.
Want, benadrukt Carey, hij schrijft hier níet over zijn eigen ervaringen en gevoelens. ‘Ik schets die commune als omgeving en bedenk dan hoe zij zich daar zullen voelen. Ik vond het er dan wel heerlijk, maar als er destijds vrienden langskwamen uit Sidney, zagen ze overal vliegen, alles was scheef en lekte. “Hoe kunnen jullie hier wonen?”, riepen ze dan. Che is een jochie uit New York en Dial een aanstormend academica. Die zijn echt niet klaar voor een leven zonder elektriciteit en stromend water.’
Je verplaatsen in anderen, dat is een van de grote geneugten van het schrijven. En mede daarom vindt hij het eigenlijk jammer dat ook in Zijn verborgen bestaan twee elementen terugkeren die zijn vaste lezers inmiddels van Carey kennen: personages die je buitenstaanders of zelfs outlaws zou kunnen noemen en het weeskind. (Twee stuks zelfs.) ‘Dat heeft er ongetwijfeld mee te maken dat ik als elfjarige jongen naar een rijke kostschool werd gestuurd, waarmee ik als het ware mijn eigen klasse moest verraden en me thuis moest proberen te voelen op een plek waar ik nooit echt paste. Maar eigenlijk wou ik dat ik dat niet wist.’

Ned Kelly
‘Zie het als een rivier... Het sediment is alles wat je hebt meegemaakt, de dingen die je je herinnert en de dingen die je schijnbaar bent vergeten. Als schrijver schep je dat sediment naar boven. Maar dat wil nog niet zeggen dat je wilt weten waar dat spul uit bestaat. Je wilt ermee spelen, werelden bouwen. Dat je fantasie wordt beperkt door je eigen leven en verleden is een heel vervelend idee. Ik wil het gevoel hebben dat ik onbegrensd ben.’ Maar gelukkig is er, naast de autobiografische, ook de verklaring van Australië als land van wezen en misdadigers. ‘Er zijn zoveel kinderen van Aboriginals gestolen. Dat is een enorm verzwegen deel van onze geschiedenis.
Zoals er ook massa’s Engelse kinderen bij hun ouders zijn weggehaald en naar Australië verscheept, die vaak werden misbruikt en als slaaf behandeld. En het is natuurlijk geen toeval dat wij Ned Kelly als volksheld hebben.
Ik probeerde laatst aan Amerikanen uit te leggen hoe dat zat, omdat zij dachten dat hij zoiets als Jesse James was. Maar Jesse James was een psychopaat! In onze ogen was Kelly een strijder in een oorlog, die pech had. A good man driven mad. Hij neemt zo’n centrale rol in in onze mythologie, dat ik zei: hij lijkt meer op Thomas Jefferson. Al was hij niet zo’n grote denker en had hij zeker niet zo’n wijnkelder als Thomas Jefferson.’ Misschien zitten het ‘vertrouwen in verlies en mislukking’ daarom ook wel nog steeds zo ingebakken in de volksaard ‘Ik zag laatst een Australische film, Angel Baby, waarin de hoofdpersonen een schizofreen en een patiënt in dagbehandeling bij een psychiatrisch ziekenhuis waren, die een verhouding kregen. Kijk, dat is Australië! 'That’s our kind of love affair!’

Peter Carey: Zijn verborgen bestaan (oorspr.: His Illegal Self, vertaling Hien Montijn, uitgever de Bezige Bij)