Jan Mulder schreef ooit hoe heerlijk het was om als voetballer tijdens de rust te worden opgepept. Met neerhangend hoofd en bemodderde knieën naar een bulderende coach luisteren, dat was het volmaakte kleedkamergevoel.
Ook in de klassieke muziek is er behoefte aan prachtige clichés. Een reusachtig orgel dat alleen maar hoge piepgeluidjes maakt of een virtuoze pianist die uitsluitend langzame stukken speelt – dat bevredigt niet. Orgels dienen luid en breedsprakig hun macht te verkondigen, virtuozen moeten razen en tieren, daar zijn orgels en virtuozen nu eenmaal voor.
Voor de liefhebber van clichés begint het Eerste pianoconcert van componist Franz Liszt hoopvol. De violisten strijken erop los, de blazers knallen er onder aanvoering van de trombones een stel fikse akkoorden tegenaan en de pianist is direct verwikkeld in een strijd op leven en dood. Zo hoort het. Maar na een tijdje blijkt Liszt toch andere plannen te hebben gehad met zijn pianoconcert dan het bevredigen van clichélust. Verderop gebruikt hij het orkest niet als de veelkoppige rivaal van de pianist, maar als een groep instrumenten die in wisselende samenstelling de pianist telkens in een andere rol dwingt. De ene keer speelt hij een stukje solorecital, dan weer begeleidt hij een enkele blazer of maakt hij kamermuziek met vier of vijf instrumenten. Daardoor moet de pianist razendsnel schakelen van dienend begeleiden naar uitbundig de baas zijn, of van intiem samenspelen naar moederziel alleen het publiek ontroeren met zijn wankel gemoed.
In het derde deel verschijnt plotseling een triangel als een soort extra solist. Met een paar welgemikte tikjes laat de triangel zich begeleiden door de strijkers, duelleert met de pianist en zet bij de voller geïnstrumenteerde stukken de puntjes op de i. In Liszts Eerste pianoconcert is de triangel een kokette schooljuffrouw die de brutale jongens tot de orde roept. In 1855, toen het concert in première ging, had nog niemand de triangel zo de leiding horen nemen. Het publiek was geschokt. En een criticus noemde het gebruik van de triangel als solo-instrument ronduit vulgair. Daarop bedacht Liszt dat de triangel zachtjes met een stemvork zou moeten worden aangeslagen. Dat zou minder vulgair klinken.
In het vierde deel gaat de muziek zoals het hoort weer flink tekeer. Na alle fijnzinnigheid klinkt het als een bulderende voetbalcoach in een modderige kleedkamer. Het heeft ook zijn charme, maar het is een veel te ruwe omgeving voor een fijne juffrouw.