Haydn componeerde zijn Eerste symfonie in 1757. Hij was toen 25, had net zijn eerste baantje veroverd en had een piepklein orkestje tot zijn beschikking. Zijn laatste symfonie (nummer 104) componeerde hij in 1795 voor een uit de kluiten gewassen orkest en Haydn was toen zó beroemd dat het orkest ook nog groter had gekund als Zijne Vermaardheid het had gewenst. Beide symfonieën zijn nu te horen op Radio Klassiek. Ze verschillen flink van elkaar. Haydn staat bekend als een verfijnd componist, maar met zijn eersteling vers in de oren schrikt de luisteraar haast van alle pathos en drama van de laatste.
In de Eerste symfonie toont Haydn zich op twee manieren een meester van de beperking. Hij opent met een ‘Mannheimer crescendo’: het orkest begint zachtjes en speelt gaandeweg luider, hoger en energieker. Dat was een nieuw modedingetje in die tijd. Je zou verwachten dat Haydn dit hippe effect ook in andere delen zou gebruiken, maar dat gebeurt niet.
Met zijn muzikale invallen doet hij iets vergelijkbaars. In het openingsdeel vliegen de verschillende liedjes je om de oren, maar in het tweede deel trapt Haydn kordaat op de rem. Dit deel begint met een mijmerend motief dat voortdurend terugkomt, soms als exacte herhaling, meestal in een iets andere gedaante. Door die minieme veranderingen is het alsof je naar een rij handgedraaide potjes kijkt, de ene heeft wat fellere kleuren, de andere kleinere oren, een scheef voetje of een dikkere rand, maar het zijn onmiskenbaar dezelfde potjes. Twee keer zet Haydn een afwijkend potje in de rij. In plaats van het vertrouwde beginmotief klinkt er een dalende kwart, het interval dat een Amsterdammer in de metro doet springen. Die twee tonen klinken nog breekbaarder en ontroerender dan de rest, enkel en alleen omdat ze anders zijn. Een overweldigend effect.