VPRO Gids 4

28 januari t/m 3 februari
Pagina 66 - ‘Vrouwen doen dat niet’

Vrouwen doen dat niet

Maarten van Bracht ,

In het Derde Rijk waren ook volop vrouwen betrokken bij nazimisdaden.

Onlangs werd in Duitsland een hoogbejaarde nazi-secretaresse, vermoedelijk de laatste in haar soort, voorwaardelijke bestraft. Ze had in KZ Stutthof de dood van duizenden gevangenen administratief bevorderd. Vrouwen die betrokken waren bij nazimisdaden bleven na de oorlog vaak ongemoeid, en zij die wel een proces kregen kwamen er met verhoudingsgewijs lichte straffen vanaf. Meestal werd niet geloofd dat vrouwen tot zware misdaad in staat waren. Ze zouden daaraan hooguit passief, naïef, of onder dwang hebben meegewerkt. Dat beeld bestaat nog steeds; je had natuurlijk die secretaresses en een enkele SS-kampbewaker – dat was het dan.

In feite stelden honderdduizenden – huisvrouwen, secretaresses, verpleegkundigen, kampbewaarders, echtgenotes van SS’ers – zich voor en tijdens WO II vol overtuiging in dienst van de nazi-ideologie en waren uiteindelijk zelfs betrokken bij de ergste misdaden en genocide. Veel meer en vaker dan geacht, blijkens de Arte France-documentaire Des femmes au service du Reich (2020, Christiane Ratiney), die de iets te neutrale Duitse titel Frauen der NS-Zeit meekreeg en alleen al vanwege het niet eerder vertoonde archiefbeeld de moeite waard is.

En dat terwijl Hitler aanvankelijk vrouwen uitsluitend een ondergeschikte en passieve rol als huissloof en broedstoof had toebedeeld, voorbestemd voor een ‘raszuivere’ man die haar arisch kroost kon bezorgen. Maar ondanks de vrouwvijandige ideologie die ze opdeden bij de ‘Bund Deutscher Mädel’, de vrouwelijke tak van de Hitlerjugend, zoals later niet studeren en eenmaal getrouwd thuisblijven, was vanaf 1939 toch een half miljoen vrouwen in bezet buitenland actief, mede in de hoop op meer vrijheid of om sociaal te klimmen als vrouw van een hoge nazi.

Verpleegkundigen en studenten medicijnen, geschoold in ‘rassenhygiëne’, het herkennen van Joden en fysiek ‘minderwaardig’ leven, speelden een belangrijke rol in zogeheten T4-programma. Ze selecteerden 200.000 lichamelijk en geestelijk gehandicapten om te worden vergast, of gaven hun zelf dodelijke injecties. Aan de germanisering van de ‘Ost-Gebiete’, de verdrijving van Polen naar het oosten om in hun huizen zogeheten Volksduitsers (Balten en Roemenen) te vestigen, werkten 20.000 vrouwen mee, en in de Sovjet-Unie waren ook vrouwen betrokken bij selectie en executie van Joden.

In kamp Westerbork besliste de secretaresse Gertrud Slottke over welke Joodse gevangenen naar Auschwitz werden gestuurd, wat haar als schrijftafelmoordenaar na de oorlog, als enige, op slechts vijf jaar cel kwam te staan. Herta Oberheuser, die als SS-arts gruwelijke medische experimenten uitvoerde op gevangenen, werd veroordeeld tot twintig jaar cel, maar kwam al na vier jaar vrij. En begon toen een huisartsenpraktijk.

Van de ongeveer drieduizend kampbewaaksters werden er maar 77 veroordeeld. Vrouwen doen zulke dingen niet, was steeds de gedachte, en zo ja, dan waren er altijd wel verzachtende omstandigheden.