In 1862 kreeg Johannes Brahms een stapel manuscripten van Franz Schubert ter inzage. Schubert was toen al 34 jaar dood, maar het zand waarmee de inkt gedroogd werd, plakte nog aan het papier. Dit zand bewaarde Brahms als een soort relikwie in een doosje.
Brahms vermoedde dat niemand in al die tijd deze composities had bekeken. Dat is niet eens zo heel vreemd als je bedenkt hoe ontzaglijk veel muziek Schubert heeft gecomponeerd. Zelfs als jonge dorpsonderwijzer schreef hij in één jaar twee symfonieën, twee missen, drie pianosonates, een opera, een strijkkwartet en 145 liederen. Dat krijgt een vrijetijdscomponist natuurlijk nooit allemaal uitgevoerd. Veel manuscripten verdwenen ongespeeld in kasten en laden, en sommige symfonieën moesten jaren wachten op een belangstellende blik. De zogenoemde ‘Grote C-dur’ werd in 1838 bij een broer uit een la gevist. De ‘Onvoltooide’ verschool zich tot 1865 bij een oude vriend in Graz.
Toen alle acht symfonieën bij elkaar gescharreld waren, maakte Brahms ze met lichte tegenzin persklaar. Hij vond de eerste vier symfonieën eigenlijk niet geschikt om te drukken omdat ze volgens hem een soort voorstudies waren voor het latere grote werk. Liever wilde hij ze veilig opbergen en vereren – als heilig zand in een doosje.
Anderhalve eeuw later kunnen we met de natte vinger vaststellen dat Schuberts eerste vier symfonieën beduidend minder vaak gespeeld worden dan zijn laatste vier. Mondjesmaat, dat is het woord. Maar deze week worden er drie op NPO Klassiek uitgezonden. Vanmiddag is Schuberts Vierde symfonie te horen, morgenavond de eerste en woensdag nummer twee. Dat kan geen toeval zijn.
We spreken Brahms niet graag tegen, maar na beluistering van opnames van het Concertgebouworkest onder leiding van Nikolaus Hanoncourt doen we het toch. Het is een wonder hoe Schubert met eenvoudige middelen de aandacht vasthoudt. Simpele liedjes, een paar akkoorden, een accentje hier of daar, meer heeft hij niet nodig. De accenten moeten dan vermoedelijk wel precies luid genoeg gespeeld worden om te verrassen. Anders wordt het plat vermaak. En nog belangrijker lijkt de tempokeuze. Eenvoudige noten slaan dood als ze afgeraffeld of juist langzaam en quasi diepzinnig gespeeld worden. Het is een beetje als bij een brief van een moeder aan haar zoon aan het front. Lees hem met heldere stem voor, zonder haast en zonder overdreven pauzes en uithalen, want dan komt het drama van de moederliefde het hardst aan. Doe maar gewoon, dan is het erg genoeg.
Waarom zag Brahms niet hoe mooi deze muziek is? Je zou zeggen dat een groot componist als Brahms aan de noten zou kunnen aflezen wat voor effect ze op de luisteraar hebben. Maar misschien gaat dit alleen op voor geacheveerde muziek met lange spanningsbogen, nieuwe orkestkleuren, gewaagde akkoorden en andere knappe vondsten, en heeft zelfs de beste partituurlezer een bevlogen uitvoering nodig om de charme van de eenvoud te ontdekken. Je zou het bijna gaan denken.